1.De belasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelastingen, zoals die voor
het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt voor het belastingjaar is vastgesteld.
2.In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven naar de waarde, indien de heffingsmaatstaf
voor de onroerendezaakbelastingen voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt voor het
belastingjaar is vastgesteld onder toepassing van artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering
onroerende zaken.
3.In geval geen heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelastingen is vastgesteld, wordt de belasting
geheven naar de waarde.
4.De vaststelling van de waarde bedoeld in het tweede en derde lid geschiedt overeenkomstig de artikelen
220 tot en met 220d van de Gemeentewet, met dien verstande dat daarbij artikel 16, onderdeel e, van de
Wet waardering onroerende zaken niet wordt toegepast.
Artikel 4
– Maatstaf van heffing
Onderdeel van nr 04.08 Verordening op de heffing en invordering van forensenbelasting 2009