Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk I -

Artikel 1

begripsbepalingen

Onderdeel van Verordening inzake monumenten en archeologie

Deze verordening ver­staat onder: 1. Monument: zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de we­tenschap of cul­tuurhistorische waarde; terrein dat van algemeen belang is we­gens een daar aanwezige zaak als be­doeld onder a. 2. Gemeentelijkarcheologisch monument: monument, bedoeld in onderdeel 1, onder b. 3. Beschermd gemeentelijk monument: monument, dat overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als beschermd gemeen­telijk monument is aangewe­zen. 4. Gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeen­komstig deze verordening als beschermd ge­meentelijk monument aangewezen zaken. 5. Beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 6. Kerkelijk monument: monument, dat eigendom is van een kerkge­nootschap, kerkelijke gemeente of parochie of van een kerkelijke instelling en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst. 7. Jongere bouwkunst: gebouwen en stedenbouwkundige structuren die tot stand zijn gekomen in de periode 1850-1940 en die qua ver­schijningsvorm bepalend zijn in het stedenbouwkundig of architectonisch beeld. 8. Gemeentelijke lijst van jongere bouwkunst: de door burgemeester en wethouders van Gouda vastge­stelde lijst waarop zijn vermeld de over­eenkomstig deze verordening aange­wezen objecten van jongere bouwkunst. 9. Commissie cultuurhistorie: de door burgemeester en wethouders ingestelde commissie of aan­gewezen instantie, met als taak de werkzaam­heden die zijn be­schreven in het "Reglement commissie cultuurhistorie". 10. Welstandscommissie: de door de raad ingestelde commissie of aangewezen instantie, met als taak de werkzaamheden die zijn beschreven in de Bouwverordening en het Reglement van orde van de welstandscommissie. 11. Bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd onder­zoek naar de bouwgeschiedenis en de bouw­historische kwaliteit van een monument, in de vorm van een bouwhistorische verkenning, een bouwhistorische opname of een bouwhistorische ontleding. 12. Verkennend archeologisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd verken­nend onderzoek naar de geschiedenis en de archeologische waarden van een locatie overeenkomstig de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, in de vorm van archeologisch bureauonderzoek of inventariserend veldonderzoek. 13. Gemeentelijk stads- of dorpsgezicht: groepen van onroerende zaken die van alge­meen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samen­hang dan wel hun wetenschappelijke of cul­tuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden. 14. Archeologische begeleiding: vorm van onderzoek waarbij archeologische waarden worden gedocumenteerd en archeologische vondsten worden veiliggesteld. 15. Archeologisch bureauonderzoek: vorm van archeologisch onderzoek waarbij de aan- of afwezigheid, het karakter en de omvang, de gaafheid, de conservering en de relatieve kwaliteit van archeologische waarden worden bepaald aan de hand van bestaande bronnen over archeologische waarden die voor een bepaald gebied al bekend zijn of worden verwacht. 16. Inventariserend veldonderzoek: vorm van onderzoek waarbij het gespecificeerde verwachtingsmodel dat op het archeologisch bureauonderzoek is gebaseerd wordt aangevuld en getoetst door middel van waarnemingen in het veld. 17. Opgraving: het vlakdekkend onderzoeken van archeologische vindplaatsen, met als doel de gegevens van de vindplaats te documenteren en daarmee de informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het verleden. 18. Bodemarchief: alle informatie die in de bodem ligt opgeslagen en daarin terecht is gekomen door activiteiten van mensen en door natuurlijke processen. 19. Hoogwaardige locaties: de door het college van burgemeester en wethouders als zodanig aangegeven locaties, waar archeologische waarden door onderzoek en/of in combinatie met andere bronnen zijn aangetoond. 20. Locaties met een hoge verwachting: de door het college van burgemeester en wethouders als zodanig aangegeven locaties, waar (zeer) sterke aanwijzingen zijn dat archeologische waarden aanwezig zijn. 21. Locaties met een middelhoge verwachting: de door het college van burgemeester en wethouders als zodanig aangegeven locaties waar aanwijzingen zijn dat archeologische waarden aanwezig zijn. 22. Werkzaamheden die het bodemarchief kunnen verstoren: alle graafwerkzaamheden, voor welk doel ook, die dieper gaan dan 0,5 meter beneden het maaiveld. 23. Cultuurhistorische analyse: in een schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de aanwezige cultuurhistorische waarden in het plangebied, waarbij de aanwezige waarden in kaart zijn gebracht en met behulp van aanbevelingen wordt aangegeven hoe die in het desbetreffende plan kunnen worden meegenomen. 24. Bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 25. Vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid of artkel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel