De algemeen geldende weigeringsgronden, opgenomen in artikel 4:35 Awb, worden hier met een nadere, op de gemeentelijke praktijk toegesneden grond aangevuld. Dit betreft het niet of niet in overwegende mate gericht zijn van de activiteiten van de aanvrager op de gemeente, dan wel haar ingezetenen of daaraan niet of nauwelijks ten goede komen.
Eventueel kunnen aan deze weigeringsgronden nog de volgende gronden worden toegevoegd: 8.d de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien, die in strijd zijn met de wet- en regelgeving, het algemeen belang of de openbare orde;
8.e de activiteiten een politieke, godsdienstige of levensbeschouwelijke boodschap hebben. Waarbij wordt aangetekend dat het rechtstreeks inroepen van deze gronden ter weigering van een subsidieaanvraag in bezwaar en beroep tot discussie kan leiden. De vraag is dan of deze gronden redelijkerwijs ter beoordeling zijn van het college. Want strikt genomen mag het college zich slechts een oordeel vormen over de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Het is vaak eenvoudiger om de subsidie te weigeren wegens de verwachting, dat de activiteiten onvoldoende gericht zijn op de beleidsdoelen.