**1.** In de gevallen, genoemd in artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht, is de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd aan de provincie.
**2.** De hoogte van de vergoeding is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de subsieontvanger, dat evenredig is aan het gedeelte van zijn totale inkomsten dat gedurende de laatste tien jaar de subsidie is geweest. Als nog geen tien jaar subsidie is verstrekt, wordt de verschuldige vergoeding berekend op basis van het aantal jaren gedurende welke zij wel is verstrekt.
**3.** Bij de bepaling van de waarde van de vermogensbestanddelen wordt uitgegaan van hun waarde op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij verlies of beschadiging van goederen wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger is ontvangen. De waarde van de onroerende goederen wordt bepaald op basis van hun waarde in het economisch verkeer, die van de roerende goederen op basis van hun boekwaarde. De geldmiddelen, waaronder begrepen de banksaldi, worden gewaardeerd op hun nominale waarde.
**4.** De waarde van onroerende goederen wordt vastgesteld door een onafhankelijk deskundige, die daartoe door gedeputeerde staten in overeenstemming met de subsidieontvanger wordt aangewezen. Bij gebreke aan overeenstemming vindt bedoelde taxatie plaats door drie onafhankelijke deskundigen van wie een door gedeputeerde staten en een door de sbsidieontvanger wordt aangewezen, en de derde door de beide eerst aangewezenen. Als zij het over de taxatie niet eens worden, beslist de derde deskundige.
**5.** Als een subsidie vanaf € 125.000 is verstrekt, kunnen gedeputeerde staten voorschrijven dat een accountantsverklaring wordt overlegd met betrekking tot de berekening van de vergoeding.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 20