7.1.
Het College trekt de vergunning in, indien:
de vergunninghouder daarom verzoekt;
blijkt dat bij de aanvraag om de vergunning onjuiste of
onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van
juiste of volledige gegevens tot een ander besluit op de
aanvraag om de vergunning zou hebben geleid;
de vergunninghouder verhuist naar een locatie buiten het
vergunninggebied;
niet voldaan wordt of niet langer voldaan wordt aan de
voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening of de
Parkeerbelastingverordening;
de vergunningverlening onjuist was en de vergunninghouder dit
wist of behoorde te weten;
voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te
vervallen.
7.2.
Het College kan de vergunning intrekken, indien:
er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die
relevant waren voor het verlenen van de vergunning;
de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning
verbonden voorschriften;
de vergunninghouder de vergunning gebruikt voor een ander doel
dan waarvoor de vergunning is verleend;
redenen van openbaar belang dit eisen;
de verschuldigde parkeerbelasting niet voldaan is.
7.3.
Een besluit tot het intrekken van of wijzigen van een vergunning is met
redenen omkleed. De betrokkene wordt van het intrekken of wijzigen van
de vergunning schriftelijk in kennis gesteld.
7.4.
De vergunninghouder is verplicht wijzigingen in één van de
omstandigheden, die relevant waren voor het verlenen van de vergunning,
binnen een maand te melden bij het College.
7.5.
De vergunning vervalt door het verstrijken van de geldigheidsduur van de
vergunning.
7.6.
Het College is bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze
verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten
gunste van de aanvrager af te wijken van het bepaalde in deze
verordening.
Afdeling VI.
Artikel 7.
Artikel 7.
Onderdeel van Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren 2016