Indien er sprake is van een redelijk vermoeden van het bij zich dragen in
bijvoorbeeld (rug)tassen of andere vervoermiddelen van verboden voorwerpen
zoals bedoeld in artikel 1 van deze verordening, dient een ieder toe te staan en
mee te werken aan het op last of vordering van de politie fouilleren en het tonen
van de bij zich dragende of hebbende voorwerpen.