De belasting wordt geheven:
van degene die bij het begin van het belastingjaar het
genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op
de gemeentelijke riolering, dan wel dat belang heeft bij
nakoming van de gemeentelijke waterzorgplichten, verder
te noemen: eigenarendeel; en
van de gebruiker van een perceel van waaruit water
direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt
afgevoerd dan wel dat belang heeft bij nakoming van de
gemeentelijke waterzorgplichten, verder te noemen:
gebruikersdeel.
Met betrekking tot het eigenarendeel wordt, ingeval het perceel
een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom,
bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van
het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is
vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen
genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
is.
Met betrekking tot het gebruikersdeel, wordt als gebruiker
aangemerkt:
degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet
krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht
gebruikt;
voor toepassing van het derde lid wordt:
gebruik van een perceel door de leden van een huishouden
aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231,
tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde
gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat
huishouden;
gebruik door degene aan wie een deel van een perceel –
niet zijnde een gedeelte als bedoeld in artikel 4 – in
gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene
die dat deel in gebruik heeft gegeven.
het ter beschikking stellen van een perceel voor
volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene
die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.
Artikel 3
Belastbaar feit en belastingplicht
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2016