**1..** Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee ligplaats in te nemen.
**2..** Het in lid 1 gestelde verbod is niet van toepassing op het innemen van ligplaats met een vaartuig aan een krachtens artikel 13 of bij een geldend bestemmingsplan als zodanig aangewezen ligoever dan wel in een bij geldend bestemmingsplan aangewezen haven of andere bij bestemmingsplan aangewezen gelegenheid die bestemd is om een vaartuig onder te brengen.
**3..** Het in lid 1 gestelde verbod is niet van toepassing op de volgende (categorieën van) vaartuigen:
ten hoogste twee vaartuigen voor eigen gebruik, exclusief vaartuigen als bedoeld in onderdeel b van dit lid, waarmee ligplaats wordt ingenomen evenwijdig aan de oever en één rij breed:
aan het erf van een woning of recreatiewoning of aan het erf met woonwagen in de zin van de Woonwagenwet 1968, Stbl. 98;
bij een woonschip als bedoeld in onderdeel c van dit lid;
bij een vaartuig dat overeenkomstig inrichting en bestemming blijvend op dezelfde plaats ligt afgemeerd en in gebruik is als recreatiefwoonverblijf.
kleine open vaartuigen die zijn gebouwd en bestemd om uitsluitend of hoofdzakelijk door spierkracht te worden voortbewogen tot maximaal vier meter, waarbij de landschappelijke en natuurlijke waarde door ligplaats innemen hiermee niet onevenredig worden aangetast;
woonschepen;
vaartuigen die zijn ingericht of bestemd om voor de uitoefening van een bedrijf of dienst te worden gebruikt gedurende de tijd dat deze overeenkomstig hun inrichting of bestemming worden gebruikt of ligplaats innemen op voor deze vaartuigen bestemde ligplaatsen;
vaartuigen die nog in aanbouw zijn dan wel in reparatie of onderhoud zijn, zolang deze zich op of aan de werf dan wel in of bij reparatie en/of onderhoudsinrichting bevinden.
**4..** De rechthebbende op een vaartuig wordt geacht daarmee op dezelfde plaats te zijn gebleven indien het vaartuig binnen een straal van vijfhonderd meter, hemelsbreed gemeten, gerekend vanaf de daarvoor ingenomen verboden ligplaats wordt aangetroffen.
**5..** Burgemeester en wethouders kunnen van het in lid 1 gestelde verbod ontheffing verlenen.