Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 3

Inrichting begroting en jaarstukken

Onderdeel van Financiële verordening gemeente Purmerend 2015

1.. In de programmabegroting wordt per programma aangegeven wat de maatschappelijke effecten zijn en op welke wijze er naar gestreefd zal worden die effecten te verwezenlijken. Dit wordt gedaan aan de hand van de vragen: Wat willen we bereiken? Wat gaan we daarvoor doen? Wat gaat dat kosten? De maatschappelijke effecten en de te leveren prestaties worden waar mogelijk of gewenst meetbaar gemaakt via indicatoren. De raad stelt de indicatoren vast. 2.. Bij de programmabegroting wordt een overzicht gegeven van de productenraming ingedeeld naar programma’s. Bij de programmarekening wordt een overzicht gegeven van de producten realisatie ingedeeld naar programma’s. 3.. Bij de uiteenzetting van de financiële positie van de begroting wordt van de nieuwe investeringen, de lopende investeringen en van de vervangingsinvesteringen, per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven. Van de lopende investeringen wordt het geautoriseerde investeringskrediet en de raming van de uitputting van het krediet in het lopende boekjaar weergegeven. 4.. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming en de investeringen. 5.. In de programmarekening wordt de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven weergegeven. 6.. Het college biedt jaarlijks voor 1 mei de raad de kadernota aan. In de kadernota staat het actuele financiële perspectief en worden kader stellende keuzes voorgelegd voor de opstelling van de meerjarenbegroting voor het volgende jaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel