Een vergunning als bedoeld in artikel 22 van de Huisvestingswet 2014 kan worden geweigerd als:
naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met de splitsing gediende belang;
het onder a genoemde belang niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden en voorschriften aan de splitsingsvergunning;
de toestand van het gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, zich uit een oogpunt van indeling of de staat van onderhoud geheel of ten dele tegen splitsing verzet, en de desbetreffende gebreken niet door het treffen van voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen kunnen worden opgeheven, dan wel onvoldoende verzekerd is, dat die gebreken zullen worden opgeheven.
van gebreken als bedoeld onder c. genoemd is in ieder geval sprake, indien burgemeester en wethouders ingevolge artikel 1b of artikel 13 van de Woningwet een aanschrijving hebben uitgevaardigd en nog niet aan deze aanschrijving is voldaan of een aanschrijving kunnen uitvaardigen.
Hoofdstuk 5 › Afdeling 5.2
Artikel 42
Weigeringsgronden
Onderdeel van Huisvestingsverordening Den Haag 2015 – 2019