Dit reglement treedt in werking op de dag, volgen¬de op die, waarop zij is vastgesteld.
Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van 22 december 2011
de griffier,
de voorzitter,
H.D. Werkman
C. Bijl
TOELICHTING op het Reglement van Orde Raadscommissies gemeente Emmen 2011
Algemeen
Op 7 maart 2002 is een wijziging van de Gemeentewet in werking getreden. Daardoor is het gemeentelijk bestuur ingrijpend veranderd. Het structuurgedeelte van de dualisering van het lokaal bestuur in Nederland is met deze wijziging voltooid.
In de nieuwe wet zijn posities en bevoegdheden van de gemeentelijke bestuursorganen duidelijker onderscheiden dan voorheen. Eén van de vele veranderingen betreft een nieuw systeem van commissies. Het belangrijkste gevolg van de dualisering van het bestuur is dat de raadscommissies niet langer commissies van advies aan burgemeester en wethouders zijn, maar commissies die werken in het verlengde van de zelfstandiger rol die de raad in het kader van de dualisering van het gemeentelijk bestuur heeft gekregen en die zich richt op kaderstelling en controle van het college. De wethouders en de burgemeester kunnen volgens de nieuwe wet geen lid meer zijn van door de raad ingestelde commissies en raadsleden niet van commissies die zijn ingesteld door het college of de burgemeester. Het nieuwe commissiestelsel, waarvan de kaders in de wet zijn gegeven, moet op lokaal bestuursniveau verder vorm worden gegeven. Dat noodzaakt tot het vaststellen van een nieuw reglement van orde.
Artikel 2
Evenals onder de oude wet het geval was, is de raad bevoegd om de raadscommissies in te stellen. Doorgaans gebeurt dit aan het begin van een nieuwe raadsperiode. De raad zal bij de instelling van de nieuwe commissies de toedeling van taakvelden opnieuw moeten bekijken. Dat kan naar eigen inzicht gebeuren. Er behoeft immers geen relatie meer te bestaan tussen het werk van de commissies en de portefeuilleverdeling binnen het college of de wijze waarop het gemeentelijk apparaat is georganiseerd. De raad kan de nu bestaande indeling van taakvelden dus heroverwegen.
Artikel 3
Uit de bepalingen omtrent de commissies in de nieuwe Gemeentewet vloeien twee wettelijke taken voort:
a. voorbereiding van besluitvorming van de raad (art. 82, eerste lid);
b. overleg met het college respectievelijk de burgemeester (art. 82, eerste lid).
Op het eerste gezicht is er niet veel verandering. Echter, de functie van raadscommissies is volgens de nieuwe wetgeving in essentie dezelfde als die van de plenaire raad, namelijk die van kaderstellend, controlerend en volksvertegenwoordigend lichaam. Met andere woorden: de andere functie van de raad werkt door in de feitelijke invulling van de eerstgenoemde taak van de raadscommissies (de voorbereiding van de besluitvorming van de raad) en in de feitelijke invulling van de inzet van het overleg met het college respectievelijk de burgemeester. Dat overleg dient niet gericht te zijn op het creëren van medeverantwoordelijkheid voor bestuursbeslissingen, maar op kaderstelling, controle door de raad en het afleggen van verantwoording door het college.
Wat betekent dit in de praktijk?
Het beraad in de raadscommissies zal ook in de toekomst gaan over voorstellen van het college aan de raad, maar daarnaast is er volop ruimte om in de commissies de meer specifieke aspecten te behandelen van thema’s die de raad zelf op zijn agenda heeft gezet.
In de raadscommissies kunnen de technische, inhoudelijke kanten van een thema worden behandeld.De commissie kan daarbij het college bevragen of zelf onderzoek (laten) doen.
Later, in de plenaire raad, kan dan een meer politieke discussie plaatsvinden waarna in kaderstellende zin besluitvorming kan volgen. Dit kan worden opgevat als een taak van de raadscommissies en kan als zodanig, als verbijzondering van de besluit-voorbereidende taak (zie hierboven onder a), in de verordening worden verwoord in de taakbeschrijving.
Artikel 4
Onder de verordening van vóór 2002 konden niet-raadsleden tevens eerste opvolger op de kieslijst, lid zijn van een commissie en de leden konden zich laten vervangen door een ander fractielid of door een niet-raadslid, (eerste) opvolger op de kieslijst. Er bestond in de Emmense bestuurspraktijk tot nu toe in elk geval een relatie tussen de commissieleden en de lokale politiek. Volgens de nieuwe wetgeving mogen niet-raadsleden tot lid van een raadscommissie worden benoemd. De eis van een oneven aantal leden is veranderd in “bij voorkeur”.
Artikel 5
Hoewel dat niet wettelijk vereist is, is de zittingsperiode van de raadscommissies in het nieuwe reglement – ongewijzigd - gekoppeld aan die van de raad.
Artikel 6
Toelichting bij lid 1.
De voorzitter van een raadscommissie moet ook volgens de nieuwe wet een raadslid zijn (art. 82, vierde lid). De voorzitter van de raadscommissie zal in gedualiseerde verhoudingen anders moeten functioneren dan daarvoor. Het voorzitterschap zal technisch van aard worden, maar uitgeoefend in een meer politieke omgeving. Daarom is het niet toegestaan dat een niet-raadslid het voorzitterschap van een raadscommissie vervult.
Bij de keuze van de voorzitters van de raadscommissies kan overwogen worden om die functie te combineren met het politiek leiderschap in de raad en daarmee aan een mogelijk in te stellen presidium van de raad.
Toelichting bij lid 2.
De hier vermelde taken zijn deels dezelfde als die genoemd in de wet. Vooral in het concretiseren van de zelfstandiger rol van de raadscommissie bij het bepalen van de agenda speelt de voorzitter een belangrijke rol.
Het presidium stelt de voorlopige agenda van de commissie vast. De commissievoorzitter en – griffier doen voorstellen voor de vaststelling van de definitieve agenda. De plaatsvervangend voorzitter treedt alleen op als de voorzitter verhinderd is. Hij heeft geen rol bij het vaststellen van de agenda.
Artikel 7
Toelichting bij lid 1.
Verwacht mag worden dat er een intensieve relatie zal ontstaan tussen de commissievoorzitter en de secretaris van de commissie, die hier, ter onderscheiding van de gemeentesecretaris en de griffier “commissiegriffier” wordt genoemd.
De voorzitter zal een gedegen ondersteuning door de commissiegriffier nodig hebben. Dat betekent dat er een commissiegriffier nodig is die meer doet dan ondersteuning van de commissies in technische/organisatorische zin. Hij zal ook in staat moeten zijn de ideeën van de raadscommissies te verwoorden en verder uit te werken. Daarom verdient het aanbeveling om de functie van commissiegriffier te combineren met de functie van beleidsmedewerker. Gelet op het voorgaande ligt het voor de hand om een aparte notulist voor de commissievergaderingen aan te stellen.
Artikel 8 lid 10
Dit artikellid is opgenomen om te voorkomen dat vergaderingen uitlopen tot ver na middernacht. In de jaarplanning van de raadscommissies zal een vaste datum voor de uitloopvergadering worden gepland; in principe de eerste maandag volgend op de week waarin de raadscommissies worden gepland. De resterende agenda wordt in principe op deze avond behandeld, tenzij de raadscommissie beslist dat bepaalde agendapunten kunnen opschuiven naar de eerstvolgende reguliere vergadering. Indien meer dan één raadscommissie gebruik moet maken van de uitloopvergadering, bepaalt het presidium de tijdstippen.
Artikel 9
De bevoegdheid die in het derde lid aan de voorzitter wordt gegeven om een spreker die door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, de toegang tot de vergadering van de commissie te ontzeggen is in dit reglement opgenomen overeenkomstig de bevoegdheid die de voorzitter van de raad heeft op grond van artikel 26, derde lid van de Gemeentewet, om een raadslid de toegang tot de vergadering van de raad te ontzeggen.
Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van tekenen van goed- of afkeuring. Voor wat betreft de handhaving van de orde op de publieke tribune wordt verwezen naar artikel 48 van dit reglement.
Artikel 10 lid 4
De commissie kan op grond van een belang genoemd in artikel 10 van de Wet op de openbaarheid van bestuur geheimhouding opleggen.
In dit artikel van de Wet op de openbaarheid van bestuur zijn deze belangen als volgt geformuleerd:
1.
Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:
a.
de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;
b.
de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden;
c.
bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;
d.
persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.
2.
Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
a.
de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties;
b.
de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, eerste lid, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;
c.
de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
d.
inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;
e.
de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
f.
het belang, dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie;
g.
het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.
3.
Het tweede lid, aanhef en onder b, is van toepassing op het verstrekken van milieu-informatie voor zover deze handelingen betreft met een vertrouwelijk karakter.
4.
Het tweede lid, aanhef en onder g, is niet van toepassing op het verstrekken van milieu-informatie. Het verstrekken van deze informatie ingevolge deze wet kan achterwege blijven voor zover het gegevens betreft waarvan openbaarmaking aantasting van het milieu waarschijnlijker zou maken.
Artikel 12 en 13
Een belangrijke pijler van dualisering van het gemeentelijk bestuur is de loskoppeling van het wethouderschap en het raadslidmaatschap. Wethouders kunnen – nu ook op grond van de wet - geen lid en geen voorzitter meer zijn van een raadscommissie. In de gemeente Emmen was dit al zo geregeld. Wethouders kunnen op verzoek van de voorzitter van de commissie of op eigen verzoek bij de commissievergaderingen aanwezig zijn. De praktijk zal zo zijn dat wethouders alleen bij commissievergaderingen aanwezig zullen zijn als er agendapunten zijn waarbij zij betrokken zijn. In de artikelen 12 en 13 is verder de mogelijkheid om de burgemeester, de gemeentesecretaris of de griffier alsmede ambtenaren aanwezig te laten zijn in de vergaderingen van de commissies, ze te bevragen of te laten adviseren expliciet geregeld.
Artikel 14
In het dualistische bestuursmodel is het niet vanzelfsprekend dat elk collegelid bij elke commissievergadering aanwezig is. Er zal dus steeds een gerede kans bestaan dat een vraag niet tijdens de vergadering kan worden beantwoord omdat het desbetreffende collegelid niet aanwezig is. Lid 2 geeft de voorzitter de mogelijkheid om voor zulke gevallen een oplossing te zoeken. De beantwoording geschiedt dan zo mogelijk tijdens de rondvraag van de volgende vergadering. De mogelijkheid voor commissieleden om antwoord op hun vragen te krijgen tijdens de rondvraag neemt toe naarmate zij eerder te kennen geven vragen te willen stellen en aan te geven welk lid van het college voor de beantwoording is gewenst.
Artikel 15
Eén van de doelstellingen van de dualiseringsoperatie is het verbeteren van de contacten tussen de raad en de lokale samenleving. Het spreekrecht in een commissie is niet beperkt gehouden tot geagendeerde onderwerpen. Het kan ook betrekking hebben op niet-geagendeerde onderwerpen, voor zover die binnen de taakvelden van de commissie vallen. Burgers die inspreken, hebben zich te houden aan de aanwijzingen van de voorzitter m.b.t. de maximale spreektijd, sprekersvolgorde, het noemen van namen e.d. Tevens dient men zich te houden aan voorschriften die gelden voor de handhaving van de orde.
Artikel 16
Een verzoek van een commissielid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, dient de voorzitter niet te honoreren. Indien de commissie van mening is, dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten.
Artikel 17
Hiervóór is al geschreven dat er een gedegen secretariële ondersteuning van de voorzitter (en de commissie) nodig is en dat het secretariaat niet alleen een technisch / organisatorisch karakter heeft. In het verlengde is in dit artikel de mogelijkheid geschapen het secretariaat te ontlasten van het maken van het verslag van de vergadering, zodat het onbelemmerd een inbreng kan hebben in de vergadering.
In de “oude tekst” werd gesproken over “drie dagen”; dit blijkt in de praktijk onmogelijk.
Met de bepaling “binnen vijf werkdagen” wordt bereikt dat de fracties voor het fractieberaad voorafgaand aan de gemeenteraad, kunnen beschikken over de verslagen van de commissies. Uit bezuinigingsoverwegingen worden van de vergaderingen van de raadscommissies samenvattende verslagen gemaakt met vermelding van de bijdragen per fractie.