Naar hoofdinhoud

Artikel 4.2

Algemene uitgangspunten voor het bestuursrechtelijk optreden

Onderdeel van Drugsbeleid gemeente Wijchen

De benodigde informatie voor de bestuurlijke handhaving wordt verkregen conform het Regionaal Hennepconvenant 2014, met als ondertitel ‘Integrale aanpak van hennepkwekerijen in Oost Nederland’, en het Uitvoeringprotocol GZ 2015, behorend bij het Regionaal Hennepconvenant. In dit beleid wordt verstaan onder drugs de middelen als bedoeld in lijst I (harddrugs) of II (softdrugs) van de Opiumwet. Dit beleid is van toepassing op alle vormen van drugshandel, zoals bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet: een hard- of softdrug die wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Mocht tussen de verschillende vormen van drugshandel een onderscheid worden gemaakt, wordt dit in dit beleid expliciet toegelicht. Het begrip verkoop wordt ruim geïnterpreteerd: het totaal aan handelingen dat rechtstreeks tot de overdracht van het verkochte leidt. Ook voorbereidingshandelingen, zoals het maken van afspraken om drugs te verkopen tussen leverancier en afnemer, al dan niet via een tussenpersoon wordt hieronder verstaan. Dit betekent dat zelfs bij het leggen van contacten of het niet plaatsvinden van de levering en betaling vanuit het lokaal of de woning sprake kan zijn van verkoop vanuit dat lokaal of die woning. Voor een omschrijving van de definitie van een handelshoeveelheid wordt verwezen naar de Aanwijzing Opiumwet. Met een pand wordt in dit beleid bedoeld een lokaal of woning en de daarbij behorende erven en ruimten. Als beleidsuitgangspunt wordt als regel gekozen voor het toepassen van een last onder bestuursdwang en niet voor het opleggen van een last onder dwangsom. Bestuursdwang is een directer middel dat, in tegenstelling tot een dwangsom, op termijn tot feitelijke beëindiging van de overtreding zal leiden, herhaling zal voorkomen en de bekendheid van het pand teniet zal doen. Van een dwangsom mag in de meeste gevallen weinig effect worden verwacht, gelet op het feit dat het financiële gewin in het verdovende middelen-circuit dusdanig groot is, dat met een dwangsom naar verwachting niet zal worden bereikt dat een overtreding ophoudt of niet meer wordt herhaald. Om tot een zorgvuldige belangenafweging te komen bij het opleggen van de last onder bestuursdwang, is een puntensysteem opgesteld. Hiervoor is gekozen vanwege de aard van een last onder bestuursdwang: een herstelsanctie in de zin van artikel 5:2, eerste lid, van de Awb. Door gebruik te maken van het puntensysteem geeft de burgemeester invulling aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. In de handhavingsmatrixen is de relatie tussen de scores en de wijze waarop van artikel 13b van de Opiumwet gebruik wordt gemaakt, aangegeven. Bij het vaststellen van de bestuursrechtelijke maatregelen in de matrixen is gekeken naar onderstaande aspecten, waarbij per aspect een gemotiveerde score is gegeven: bekendheid van de woning/ het lokaal; voorkomen van herhaling; voorkomen van verdere aantasting van het woon- en leefklimaat; verstoring van de openbare orde. Naast bovenstaande aspecten kan de burgemeester andere omstandigheden die voor het concrete geval relevant zijn, meewegen. De scores van alle relevante omstandigheden worden bij elkaar opgeteld. Aan de hand van de scores in de handhavingsmatrix wordt de maatregel bepaald. Bij het toepassen van artikel 13b van de Opiumwet wordt: ten aanzien van lokalen gekozen voor een waarschuwing of (tijdelijke) sluiting en ten aanzien van woningen gekozen om in beginsel altijd eerst een waarschuwing te geven en bij een volgende overtreding over te gaan tot een (tijdelijke) sluiting. De ernst van de overtreding kan echter ook leiden tot een directe sluiting. Het bestuursrechtelijk optreden is niet persoonsgebonden maar pandgebonden. Het is dus niet noodzakelijk dat een volgende overtreding na een waarschuwing door dezelfde persoon wordt begaan. Indien na de 1e constatering een waarschuwing is gegeven, kan alleen een bestuursrechtelijke maatregel (2e stap in handhavingsmatrix) worden opgelegd als de 2e constatering binnen een periode van 5 jaar na verzenddatum van de waarschuwing is gedaan. Indien meer dan 5 jaar na verzenddatum van de waarschuwing een 2e constatering wordt gedaan, dan geldt deze als 1e constatering en wordt wederom een waarschuwing gegeven, tenzij de ernst van de overtreding leidt tot directe sluiting. Indien een bestuursrechtelijke maatregel is opgelegd, geldt een periode van 5 jaar na verzenddatum van de bestuursrechtelijke maatregel waarbinnen een volgende constatering leidt tot de volgende stap/bestuursrechtelijke maatregel in de handhavingsmatrix. Indien meer dan 5 jaar na verzenddatum van de bestuursrechtelijke maatregel een constatering wordt gedaan, dan geldt deze als 1e constatering en wordt conform die constatering opgetreden (waarschuwing of bestuursrechtelijke maatregel). Bij cumulatie van op te leggen bestuursrechtelijke maatregelen is de zwaarst gestelde bestuursrechtelijke maatregel van toepassing of kan worden afgeweken van het beleid (zie verderop in dit beleid de afwijkingsbevoegdheid). Bij een sluiting voor onbepaalde tijd wordt de kanttekening gemaakt dat de pandeigenaar te allen tijde een verzoek tot opheffing van de sluiting kan indienen. Dit verzoek kan ingewilligd worden als de vrees voor herhaling verdwenen is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel