1. Met de opstelling van de ontwerp-begroting, bedoeld in artikel 35 van de Wet, is het dagelijks bestuur belast. De ramingen in de ontwerp-begroting worden toegelicht.
2. Voorafgaande aan de opstelling van de ontwerp-begroting vindt in een daartoe door het dagelijks bestuur te beleggen bijeenkomst overleg plaats met vertegenwoordigers van de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten over de bij de opstelling te hanteren uitgangspunten.
3. Het dagelijks bestuur zendt jaarlijks zo tijdig mogelijk de ontwerpbegroting voor het komende kalenderjaar aan de raden van de deelnemende gemeenten.
4. De raden van de deelnemende gemeenten dienen binnen acht weken na ontvangst van de ontwerpbegroting het dagelijks bestuur schriftelijk van hun gevoelen daaromtrent te doen blijken. Het dagelijks bestuur voegt deze schriftelijke blijken van hun gevoelen, eventueel voorzien van een schriftelijke reactie daarop, bij de ontwerpbegroting zoals die aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.
5. Als begrotingswijzigingen, waarop het bepaalde in de laatste zin van artikel 35, lid 5, van de Wet van toepassing is, worden aangewezen die, welke niet leiden tot een verhoging van de deelbijdragen van de deelnemende gemeenten.