Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden
1 Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
2 Degene die op een openbare plaats
a aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
b aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
c zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
3 Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
4 De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
5 Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
6 Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 2. Betoging
Artikel 2:2 Optochten
(Gereserveerd)
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
1 Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
2 De kennisgeving bevat:
a naam en adres van degene die de betoging houdt;
b het doel van de betoging;
c de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
d de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;
e voor van toepassing, de wijze van samenstelling; en
f maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
3 Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
4 Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
5 De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Artikel 2:4 Afwijking termijn
(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)
Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens
(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)
Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken
Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
(Vervallen)
Afdeling 4. Vertoningen e.d. op de weg
Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.
(Gereserveerd)
Artikel 2:8 Dienstverlening
(Gereserveerd)
Artikel 2:9 Straatartiest e.d.
(Vervallen)
Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Artikel 2:10 Voorwerpen op, aan of boven de weg
1 Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien:
a het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of
b het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.
2 Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1,50 meter wordt gelaten op voetpaden en van 4,50 meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.
3 Het bevoegde bestuursorgaan kan ter uitvoering van het eerste lid en in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen, reclameborden of andere voorwerpen.
4 Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
5 In afwijking van het vierde lid kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
6 Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:
a evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
b standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18; en
c overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
7 Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de Wegenverordening provincie Utrecht 2010.
8 Op de ontheffing bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
1 Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2 De vergunning wordt verleend:
a als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of
b door het college in de overige gevallen.
3 Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht.
4 Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening provincie Utrecht 2010, de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde algemene verordening ondergrondse infrastructuur Wijk bij Duurstede.
5 Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg
1 Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2 Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:
a daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;
b dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
c het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
d er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
3 Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009 of de Wegenverordening provincie Utrecht 2010.
4 Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Afdeling 6. Veiligheid op de weg
Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid
(Gereserveerd)
Artikel 2:14 Winkelwagentjes
(Vervallen)
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.
(Vervallen)
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
1 Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:
a te roken gedurende een door het college aangewezen periode;
b voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
2 De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
3 De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
(Gereserveerd)
Artikel 2:20 Vallende voorwerpen
(Gereserveerd)
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
1 De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2 Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn
(Vervallen)
Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs
(Vervallen)
Afdeling 7. Evenementen
Artikel 2:24 Begripsbepaling
1 In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
a bioscoopvoorstellingen;
b markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;
c kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d activiteiten in inrichtingen in de zin van de Drank- en Horecawet die in de uitoefening van die inrichtingen gebruikelijk zijn;
e betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f activiteiten als bedoeld in artikel 2:39 van deze verordening;
g activiteiten die binnen de reguliere bestemming vallen met betrekking tot sportaccommodaties, verenigingsgebouwen, dorpshuizen, onderwijsinstellingen, het gemeentehuis en de gemeentewerf.
2 Onder evenement wordt mede verstaan:
a een herdenkingsplechtigheid;
b een braderie;
c een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;
d een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
e een (rommel)markt in de buitenlucht geen markt zijnde zoals bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h van de Gemeentewet;
f een klein evenement.
3 Onder klein evenement wordt verstaan een evenement dat maximaal één dag duurt, waarbij maximaal 200 bezoekers worden verwacht en een lokale uitstraling heeft, waaronder in ieder geval begrepen een straatfeest of buurtbarbecue, een viering of herdenking, vrijmarkten op Koningsdag, fietstoer- en wandeltochten, een straatspeeldag, kleine optocht of muzikale rondgang.
Artikel 2:25 Evenement
1 Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
2 In afwijking van het bepaalde in lid 1 is geen vergunning vereist voor een klein evenement als:
a het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 200 personen;
b er geen tent wordt geplaatst die door meer dan 50 personen zal worden gebruikt;
c het evenement plaatsvindt op een dag tussen 07.00 en 21.00 uur;
d het geluidsniveau beneden 65 dB(A) blijft, gemeten op de dichtstbijzijnde gevel van derden (achtergrondmuziek);
e er geen alcohol wordt verkocht zonder ontheffing ingevolge artikel 35 van de Drank- en Horecawet;
f er geen kampvuur wordt gemaakt;
g er geen vuurwerk wordt afgestoken;
h behalve eventuele tenten slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per object; en
i de organisator tenminste dertig dagen voorafgaand aan het evenement hiervan schriftelijke melding heeft gedaan aan de burgemeester.
3 In afwijking van het bepaalde in lid 1 is geen vergunning vereist voor een klein evenement zijnde een straatfeest of buurtbarbeque, als:
a het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 50 personen;
b het evenement tussen 09.00 uur en 24.00 uur plaatsvindt;
c geen muziek ten gehore wordt gebracht vóór 09.00 uur of na 24.00 uur;
d het evenement geen belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;
e slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per object;
f er een organisator is; en
g de organisator ten minste tien werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.
4 De burgemeester kan besluiten een klein evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
5 De burgemeester is bevoegd nadere eisen te stellen naar aanleiding van de ingediende melding.
6 Voor kleine evenementen die niet voldoen aan de voorwaarden vermeld onder lid 2 en/of lid 3 van dit artikel en voor overige evenementen dient de aanvraag om vergunning inclusief alle relevante stukken ten minste acht weken voor de datum waarop het evenement zal plaatsvinden te worden ingediend met gebruikmaking van een van gemeentewege beschikbaar gesteld aanvraagformulier.
7 Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.
8 Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:26 Ordeverstoring
Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2:27 Begripsbepalingen
1 In deze afdeling wordt verstaan onder:
a openbare inrichting:
1°. een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis;
2° elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid.
b. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.
c zelfstandige daghoreca: een horecabedrijf waarvan de openingstijden liggen tussen 09.00 uur en 21.00 uur en welk bedrijf gericht is op het verstrekken van etenswaren als o.a. hapjes, ijs, snacks en dranken, zoals een croissanterie, lunchroom, patisserie, ijssalon, tearoom, met uitzondering van broodjeszaken, pizzeria’s, shoarmazaken en snackbars.
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting
1 Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
2 De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
3 In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
4 Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in
a een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;
b een zorginstelling;
c een museum;
d een bedrijfskantine of – restaurant;
e een bed & breakfast;
f een conferentie-/vergaderaccommodatie;
g een paracommerciële inrichting zoals bedoeld in de “Verordening paracommercie Wijk bij Duurstede 2013”.
5 In afwijking van het bepaalde in lid 1 is geen vergunning vereist voor zover sprake is van een openbare inrichting waar uitsluitend zelfstandige daghoreca plaatsvindt.
6 In afwijking van het bepaalde in lid 1 is geen vergunning vereist voor het exploiteren van een openbare inrichting waarin een horecabedrijf wordt uitgeoefend zoals bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet.
7 Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:29 Sluitingstijd
1 Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 01:00 uur en 05:00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 01:30 uur en 05:00 uur (sluitingstijd).
2 In afwijking van het eerste lid kan de burgemeester nachtvergunning verlenen aan de leidinggevende van een openbare inrichting die in het bezit is van een drank- en horecavergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet, waarbij de leidinggevende van de openbare inrichting wordt toegestaan om op zaterdagen, zondagen en collectieve dagen publiek in zijn openbare inrichting te laten verblijven tussen 01.30 uur en 04.00 uur met dien verstande dat bezoekers die vóór 01.30 uur aanwezig zijn aldaar tot 04.00 uur mogen verblijven.
3 In afwijking van het eerste lid zijn terrassen gesloten
a van november tot en met februari;
b op maandag tot en met vrijdag tussen 00:00 uur en 10:00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 01:00 uur en 10:00 uur (sluitingstijd);
c gelden voor terrassen in de Peperstraat dezelfde sluitingstijden als voor een winkel zoals bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;
d gelden voor paracommerciële inrichtingen en de daarvan deel uitmakende terrassen de sluitingstijden zoals bepaald in de “Verordening paracommercie Wijk bij Duurstede 2013”, met inachtneming van het bepaalde in lid 3 onder a.
4 Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.
5 De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.
6 Voor een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet en voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.
7 Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.
8 Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting
1 De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
2 Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen
Het is verboden in een openbare inrichting:
a de orde te verstoren;
b zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;
c op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras;
d één uur na sluitingstijd losstaand terrasmeubilair bruikbaar op het terras aanwezig te hebben of parasols en zonweringen uitgeklapt of opgerold te hebben;
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen
1 In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2 De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan
Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:29 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan
(Gereserveerd)
Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2:35 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie
Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2:37 Nachtregister
(Gereserveerd)
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2:39 Speelgelegenheden
1 In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
2 Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op:
a speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend;
b speelgelegenheden waarvoor de minister van Veiligheid en Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; en
c speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.
3 De burgemeester weigert de vergunning:
a indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of
b indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
4 Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:40 Kansspelautomaten
1 In dit artikel wordt verstaan onder:
a Wet: de Wet op de kansspelen;
b kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c van de Wet;
c hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet;
d laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.
2 In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan.
3 In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
1 Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
2 Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
3 Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2:42 Plakken en kladden
1 Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2 Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
a een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3 Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
4 Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
5 Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
6 Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
7 De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.
1 Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.
2 Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
1 Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
2 Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.
1 Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.
2 Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.
(Vervallen)
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
1 Het is verboden op een openbare plaats:
a te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder berokkent.
2 Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:48 Verboden drank- of drugsgebruik
1 Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
2 Het verbod is niet van toepassing op:
a een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; en
b een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet.
3. Het is verboden op of aan de weg, op een andere voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen
1 Het is verboden:
a zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;
b zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen;
c zich zonder redelijk doel op een schoolplein op te houden.
2 Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.
Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek indien:
a dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of
b daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.
Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de burgemeester zijn aangewezen, zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2:53 Bespieden van personen
1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.
2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.
Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur
(Gereserveerd)
Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren
(Gereserveerd)
Artikel 2:56 Alarminstallaties
(Gereserveerd)
Artikel 2:57 Loslopende honden
1 Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
a op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
b binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is aangelijnd;
c buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats indien de hond niet is aangelijnd; of
d op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
2 Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
3 Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:
a die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of
b die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden
1 De eigenaar, houder of verzorger die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
2 De eigenaar, houder of verzorger die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht
a. een zakje bij zich te hebben geschikt voor de verwijdering van de uitwerpselen van die hond en
b. dit zakje op verzoek van een toezichthoudend ambtenaar te laten zien.
3 Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder of verzorger van een hond
die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
4 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Artikel 2:58a Verontreiniging door paarden
1 De eigenaar, houder of verzorger die zich met een paard op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van dat paard onmiddellijk worden verwijderd.
2 De eigenaar, houder of verzorger die zich met een paard op een openbare plaats begeeft is verplicht
a. materiaal bij zich te hebben geschikt voor de verwijdering van de uitwerpselen van dat paard en
b dit materiaal op verzoek van een toezichthoudend ambtenaar te laten zien.
3 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
1 Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
2 Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
3 Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
a vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
b door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
c zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
1 Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
a aanwezig te hebben;
b aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;
c aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.
2 Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.
3 Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:61 Wilde dieren
(Gereserveerd)
Artikel 2:62 Loslopend vee
(Vervallen)
Artikel 2:63 Duiven
(Vervallen)
Artikel 2:64 Bijen
(Vervallen)
Artikel 2:65 Bedelarij
Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.
Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Artikel 2:66 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
1 De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:
a het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
b de datum van verkoop of overdracht van het goed;
c een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;
d de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en
e de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
2 De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.
3 Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
1 de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
a dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
b van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen;
c dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
d dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;
2 de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;
3 aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;
4 een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
(Gereserveerd)
Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven
(Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op openbare inrichtingen) onder artikel 2:32)
Afdeling 13. Vuurwerk
Artikel 2:71 Begripsbepaling
(Vervallen)
Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
(Vervallen)
Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
1 Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
2 Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
3 De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 14. Drugsoverlast
Artikel 2:74 Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding
De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73 of 2:74 van de Algemene plaatselijke verordening groepsgewijs niet naleven.
Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen
1 De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties.
2 De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere – door de gemeenteraad aan te wijzen - openbare plaatsen.
Artikel 2:78 Gebiedsverbod
1 De burgemeester kan aan een persoon die de artikel 2:1, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73 of 2:74 overtreedt, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
2 In het geval van overtredingen als bedoeld in het eerste lid kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw één of meer van de bovengenoemde overtredingen begaat, een bevel geven zich gedurende ten hoogste vier weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
3 Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als de overtreding binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.
4 De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
Hoofdstuk 2
Artikel 2:1
Samenscholing en ongeregeldheden
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Wijk bij Duurstede 2015 versie 2
Verwijzingen
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 429
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 10
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 424
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 3
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 30c
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
- artikel 437
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 5
- Artikel 2
- artikel 437
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 160
- Artikel 2
- artikel 30 van de Wet op de kansspelen
- Artikel 2
- artikel 13b van de Opiumwet
- artikel 5
- artikel 174a van de Gemeentewet
- artikel 13b van de Opiumwet
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 30
- Artikel 2
- artikel 30
- Artikel 2
- artikel 174 van de Gemeentewet
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 1
- Artikel 2
- artikel 160
- artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 7c van de Wet op de kansspelen
- artikel 30
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 151b van de Gemeentewet
- artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 154a van de Gemeentewet
- artikel 429
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 151c van de Gemeentewet
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2