De vergunning als bedoeld in artikel 3, eerste lid, kan worden ingetrokken indien:
ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
de gegevens in de vergunning niet meer overeenstemmen met de werkelijke situatie;
niet wordt voldaan aan de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften;
het vaartuig naar het oordeel van het college afbreuk doet aan het (uiterlijk) aanzien van de gemeente;
de vergunninghouder dit verzoekt;
de vergunninghouder zijn betalingsverplichtingen inzake het verschuldigde liggeld niet nakomt;
feitelijk geen gebruik kan worden c.q. wordt gemaakt van de ligplaats;
van de ligplaats geen gebruik wordt gemaakt na een door het college te bepalen redelijke termijn.