De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt geheven
naar het aantal kubieke meters afvalwater dat vanuit het
eigendom wordt afgevoerd.
Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal
kubieke meters water dat in het belastingtijdvak naar het
eigendom is toegevoerd of is opgepompt.
Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die
pompinstallatie zijn voorzien van een:
watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan
worden afgelezen, of
bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een
pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is
geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet
van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid
opgepompt water geschiedt op grond van enige andere
wettelijke bepaling.
Voor zover de gegevens, als bedoeld in het tweede lid van dit
artikel niet bekend zijn, wordt het waterverbruik door de in
artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet
bedoelde ambtenaar vastgesteld op basis van het waterverbruik
bij vergelijkbare huishoudens of eigendommen.
De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid
toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de
hoeveelheid water die niet als afvalwater is afgevoerd indien en
voor zover dit is aangetoond door de gebruiker.
Ten aanzien van de percelen, die bij Brabant Water aldaar
geregistreerd staan als "agrarische percelen" en waarvan voor
aanvang van het kalenderjaar schriftelijk kenbaar is gemaakt
geen bedrijfsafvalwater wordt afgevoerd middels de gemeentelijke
riolering, wordt bepaald dat bij de heffing wordt uitgegaan van
een forfaitaire hoeveelheid geloosd water per tijdvak. De hoogte
van het forfait wordt berekend door het aantal personen van de
gezinshuishouding op 1 januari van het kalenderjaar te
vermenigvuldigen met 50 kubieke meter water, vermeerderd met een
éénmalige ophoging van 50 kubieke meter water.
Artikel 5
Maatstaf van heffing
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2016