Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3:

Artikel 3.2.:

Milieubepaling.

Onderdeel van ALGEMENE UITGIFTEVOORWAARDEN BOUWGROND GEMEENTE HILVARENBEEK 2014

1.. Omtrent de aanwezigheid van voor het milieu of de volksgezondheid gevaarlijke of niet aanvaardbare stoffen in de te verkopen grond is een globaal onderzoek verricht, waaruit blijkt dat er geen reden is om aan te nemen dat er zich in de grond schadelijke stoffen bevinden, die naar de huidige maatstaven schadelijk zijn te achten voor het milieu of die anderszins onaanvaardbaar zijn. Evenmin heeft de gemeente, gezien het voorafgaande gebruik van de grond, voor zover dat aan haar bekend is, reden om aan te nemen dat dergelijke stoffen zich in de grond zouden kunnen bevinden. 2.. De wederpartij (niet-particulier) heeft tot aan de start van de fundering van de bouw van het betrokken perceel, of als dit perceel verkaveld wordt, op de betrokken kavel, doch in geen geval langer een jaar na de ondertekening van de uitgifte-overeenkomst, het recht de overeenkomst eenzijdig te ontbinden en de grond ter vrije beschikking te stellen van de gemeente, voor zover redelijkerwijze mogelijk in de toestand waarin deze zich bevond bij het aangaan van de koopovereenkomst, indien de wederpartij in het gekochte alsnog voor het milieu gevaarlijke of niet aanvaardbare stoffen aantreft, waarvan hij aannemelijk maakt, dat deze al aanwezig waren op het tijdstip dat hem het bezit werd overgedragen, en dat deze van zodanige aard en concentratie zijn dat van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij, zonder dat wordt gesaneerd, de onroerende zaak aanvaardt. Dit geldt met name ook indien door deze verontreiniging de door partijen op het gekochte beoogde bestemming in gevaar komt. 3.. De wederpartij (particulier) heeft het recht de overeenkomst eenzijdig te ontbinden en de grond ter vrije beschikking te stellen van de gemeente, voor zover redelijkerwijze mogelijk in de toestand waarin deze zich bevond bij het aangaan van de koopovereenkomst, indien de wederpartij in het gekochte alsnog voor het milieu gevaarlijke of niet aanvaardbare stoffen aantreft, waarvan hij aannemelijk maakt, dat deze al aanwezig waren op het tijdstip dat hem het bezit werd overgedragen, en dat deze van zodanige aard en concentratie zijn dat van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij, zonder dat wordt gesaneerd, de onroerende zaak aanvaardt. Dit geldt met name ook indien door deze verontreiniging de door partijen op het gekochte beoogde bestemming in gevaar komt. 4.. Een recht op ontbinding als genoemd in de vorige leden bestaat niet indien de redelijkheid en billijkheid zich wegens de geringe ernst van de verontreiniging verzetten tegen ontbinding en/of de gemeente zich (ook in geval van ernstiger verontreiniging) verplicht om op haar kosten passende maatregelen te nemen tot opheffing van de verontreiniging casu quo de gevolgen daarvan. 5.. Het in de vorige leden bepaalde laat onverlet het recht van de wederpartij op schadevergoeding indien en voor zover daartoe wettelijke of contractuele gronden zijn. 6.. Niet als aan de gemeente toe te rekenen verontreiniging wordt aangemerkt: aanwezigheid van stoffen waarvan de gemeente op het tijdstip van bezitsoverdracht niet een verontreinigend karakter als bedoeld in dit artikel behoefde aan te nemen op grond van de toen in dit opzicht bestaande gezaghebbende inzichten. 7.. Onder voor het milieu gevaarlijke of niet aanvaardbare stoffen worden niet verstaan: funderingsrestanten, puin of andere restanten van bouwkundige aard, noch stobben van bomen of struiken, noch de aanwezigheid van de draagkracht van de grond beïnvloedende omstandigheden. Op deze zaken heeft dit artikel derhalve geen betrekking. 8.. Van dit artikel kan in de uitgifte-overeenkomst worden afgeweken.

Rechtspraak bij dit artikel