In deze regeling wordt verstaan onder:
1. aanvrager: de veroorzaker en/of opdrachtgever van een bodemverstorende activiteit die een aanvraag om tegemoetkoming in de excessieve kosten indient;
2. archeologisch onderzoek: een onderzoek, bestaande uit
a. het verrichten van werkzaamheden met als doel het opsporen of onderzoeken van archeologische monumenten,
b. het maken van een rapportage over het desbetreffende archeologisch onderzoek;
c. het conserveren en deponeren van de vondsten van het desbetreffende archeologisch onderzoek;
3. excessieve kosten: de kosten van archeologisch onderzoek, voor zover die kosten naar het oordeel van de gemeente voor een aanvrager van de subsidie als bedoeld in artikel 2 onevenredig hoog zijn in verhouding tot de totale projectkosten;
4. archeologische monumenten: de monumenten bedoeld in artikel 1, sub c van de Monumentenwet 1988;
5. toevalsvondsten: vondsten in plangebieden die conform het gemeentelijk beleid niet hoeven te worden onderzocht vanwege bijvoorbeeld de beperkte afmetingen van de ingreep of een lage verwachting. De verstoorder is niet meer verantwoordelijk voor het onderzoek van deze vondsten.
6, subsidieplafond: het maximum bedrag dat de gemeenteraad jaarlijks in de begroting reserveert.
Artikel 1
Begripsbepalingen
Onderdeel van Deelverordening subsidie excessieve archeologische onderzoekskosten en toevalsvondsten Oudewater 2015