Voor de toepassing van hoofdstuk 7 van deel I worden de vergoedingen
bedoeld in artikel 15 en 15:1:28 van deel I, slechts geacht te behoren
tot de bezoldiging tot een bedrag dat overeenkomt met hetgeen in de drie
kalendermaanden, voorafgaande aan de datum waarop de verhindering tot
het vervullen van de betrekking is ontstaan, gemiddeld per maand is
toegekend aan die vergoeding of die beloning. Voor zover de ambtenaar op
evenbedoelde datum minder dan drie kalendermaanden zijn betrekking heeft
vervuld, wordt gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld per maand is
toegekend over het tijdvak waarin hij vóór het ontstaan van de
verhindering in dienst is geweest.