Naar hoofdinhoud
De regeling wordt opgeheven bij gelijkluidend besluit van de colleges van de gemeenten. Opheffing is behoudens bijzondere omstandigheden niet mogelijk in de eerste vijf jaar na het treffen van deze regeling. Van bijzondere omstandigheden is slechts sprake als hierover tussen de colleges van de gemeenten overeenstemming bestaat. Indien een besluit tot opheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt genomen, geven de colleges van de gemeenten gezamenlijk een onafhankelijke registeraccountant opdracht om een opheffingsplan op te stellen. Het opheffingsplan, bedoeld in het derde lid, voorziet in ieder geval in de verplichtingen van de deelnemende gemeenten tot deelneming in de eventuele financiële en in de personele gevolgen van de opheffing. Het college van de centrumgemeente is belast met de uitvoering van het opheffingsplan, bedoeld in het derde lid. Een besluit tot uittreding door het college van één der gemeenten kan eveneens leiden tot opheffing van de regeling. Een besluit tot uittreding door het college van één der gemeenten wordt niet genomen dan nadat daartoe toestemming is verkregen van de raad, overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen. Indien één der gemeenten eenzijdig besluit uit deze centrumregeling te treden zonder dat er sprake is van een geschil of bijzondere omstandigheid draagt de partij die wenst uit te treden alle financiële en personele gevolgen van de opheffing of uittreding zulks vast te stellen door een registeraccountant. Het besluit tot uittreding treedt in werking op 1 januari van het tweede jaar volgend op het jaar waarin het besluit tot uittreding is genomen, tenzij de colleges een andere datum overeenkomen. Het tweede tot en met het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel