Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3.9

Inrichting vluchtroutes

Onderdeel van Gemeentelijk beleidsniveau brandveiligheidseisen bestaand bouw Midden-Delfland

1.. De uitgangsbreedte van deuren van het gebouw, rookcompartiment, verblijfsgebied of verblijfsruimte dient te voldoen aan de berekeningsmethode P = U x 0,9 waarbij wordt uitgegaan van een voor dat pand realistische bezetting. (P is het maximaal toelaatbare aantal personen en U is de netto breedte van de aanwezige en beschikbare nooduitgang(en) in centimeter(s)). 2.. Deuren die op een vluchttrappenhuis uitkomen mogen niet tegen de vluchtrichting in draaien. 3.. Een vluchtmogelijkheid moet, opdat snel en veilig kan worden gevlucht, een vrije doorgang hebben met een breedte van tenminste 0,6m en een hoogte van tenminste 2,0m; afmetingen van een trap, die een functie heeft bij het vluchten, moet tenminste voldoen aan de volgende eisen: Minimum vrije breedte van een trap: 0,8m Minimum vrije hoogte boven een trap: 2.1m Minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn gemeten loodrecht op de voorkant van de trede: 0,21m Maximum afmeting van de optrede: 0,21m Minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap: 0,3m Maximum hoogte van de trap: 4,0m 4.. Een trap moet ter plaatse van de bovenste trede over de ten minste vereiste breedte aansluiten op een vrije vloer oppervlak van 0,8 meter x 0,8 meter.

Rechtspraak bij dit artikel