Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3.

Artikel 6.

Kwijtschelding Restant Geldschulden

Onderdeel van Beleidsregels Terugvordering Participatiewet 2015

1.. Onverminderd het derde en vierde lid scheldt het college na gedeeltelijke aflossing van de geldschuld het restant van deze geldschuld kwijt in de volgende gevallen: de schuldenaar heeft gedurende tien jaar volledig aan zijn betalingsverplichting in maandelijkse termijnen voldaan indien de vordering is ontstaan door een verzuim van de inlichtingenverplichting; indien op grond van artikel 18a PW of artikel 20a IOAW en IOAZ naast de terugvordering een bestuurlijke boete is opgelegd, kan daarnaast niet eerder tot kwijtschelding worden overgegaan, dan vanaf het moment dat de bestuurlijke boete is voldaan; in de overige gevallen indien de schuldenaar gedurende drie jaar volledig aan zijn betalingsverplichting in maandelijkse termijnen heeft voldaan op vorderingen die niet zijn ontstaan door het verwijtbaar niet nakomen van de wettelijke inlichtingenverplichting, of vorderingen die zijn ontstaan vanwege enigerlei verwijtbaar gedrag van de schuldenaar; de schuldenaar heeft weliswaar in de in onderdelen a tot en met c genoemde gevallen gedurende de daar genoemde jaren niet volledig aan zijn betalingsverplichting voldaan, maar heeft alsnog het achterstallige bedrag over die jaren betaald, vermeerderd met de aan belanghebbende in rekening gebrachte kosten van invordering; 2.. Het college kan de geldschuld bij een vordering die niet is ontstaan door het verwijtbaar niet nakomen van de inlichtingenverplichting voor het geheel of voor het restant kwijtschelden in de volgende gevallen: de schuldenaar heeft gedurende vijf jaar geen betalingen verricht en niet aannemelijk is dat deze op enig moment aan zijn betalingsverplichting zal voldoen; de schuldenaar lost in één keer een bedrag op de geldschuld af ter hoogte van ten minste 50 procent van het restant van de geldschuld. 3.. De kwijtschelding op grond van het eerste en tweede lid bestaat niet voor de hierna genoemde geldschulden: geldschulden die het gevolg zijn van een eerder verstrekte geldlening; en/of geldschulden die gedekt zijn door een zakelijk recht als pand of hypotheek; en/of geldschulden die onderwerp zijn van een schuldregeling waarvan de voorwaarden niet worden nagekomen dan wel tot stand zijn gekomen op basis van onjuiste of onvolledige gegevens door toedoen van de schuldenaar. 4.. Het college is niet verplicht in de in het eerste lid geregelde gevallen tot kwijtschelding over te gaan als de schuldenaar kan beschikken over vermogen dat redelijkerwijze te gelde kan worden gemaakt dan wel vermogen waarover de schuldenaar binnen een redelijke termijn redelijkerwijze kan gaan beschikken. Bij de vaststelling van dat vermogen wordt rekening gehouden met het gehele vermogen zonder aftrek van de geldschulden die voor kwijtschelding in aanmerking zouden kunnen komen.

Rechtspraak bij dit artikel