Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 16

Instandhoudingsbepaling

Onderdeel van Erfgoedverordening Goeree-Overflakkee 2015

1.. Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel 1, onder a, sub 2, of in een archeologisch waardevol gebied danwel een gebied met een hoge of middelhoge archeologische verwachting, bedoeld in artikel 1, onder f en g, de bodem te verstoren. 2.. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien: in een archeologisch waardevol gebied, aangeduid op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart met Waarde-archeologie 2, de verstoring niet dieper reikt dan 30 centimeter en het te verstoren oppervlak kleiner is dan 50 m²; in een archeologisch waardevol gebied, aangeduid op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart met Waarde-archeologie 3, de verstoring niet dieper reikt dan 30 centimeter en het te verstoren oppervlak kleiner is dan 100 m²; in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde, aangeduid op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart met Waarde-archeologie 4, de verstoring niet dieper reikt dan 50 centimeter en het te verstoren gebied kleiner is dan 500 m² in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde, aangeduid op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart met Waarde-archeologie 5, de verstoring niet dieper reikt dan 50 cm en het te verstoren oppervlak kleiner is dan 2500 m²; in het geldende bestemmingsplan voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg en aan de maatregelen die genomen dienen te worden het erfgoed in situ te bewaren, voldaan is; sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; burgemeester en wethouders nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument, een archeologisch waardevol gebied of een archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op gemeentelijke archeologische beleidskaart, of een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. 1.. In een gebied met lage, zeer lage of geen archeologische verwachting gelden geen archeologische voorschriften. Wel is men gehouden aan de plicht in artikel 47 lid 1 van de Monumentenwet om bij het aantreffen van vondsten waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het om oudheidkundige vondsten gaat, binnen drie dagen aangifte te doen bij de burgemeester.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel