Binnen onder meer de gemeente Deventer is de vraag gerezen hoe de toename van de parkeerbehoefte dient te worden berekend indien bijvoorbeeld een in de stad aanwezige functie wordt verplaatst van locatie A naar locatie B, maar in dezelfde omgeving.
In beginsel dient dan uitsluitend de toename van de parkeerbehoefte op locatie B te worden berekend, omdat op locatie A , normaal gesproken zonder bezwaar een nieuwe functie kan komen met eenzelfde parkeerbehoefte als de vertrekkende functie. Per saldo neemt de parkeerbehoefte in het betreffende gebied dan dus toch gewoon toe.
Maar het kan ook zijn dat de nieuwe functie op, locatie A een lagere parkeerbehoefte met zich meebrengt, dan die welke de vertrekkende functie had. Het college meent dat het billijk en alleszins verantwoord is om dat verschil bij verplaatsing binnen de redelijke loopafstand, af te trekken van de toename van de parkeerbehoefte op locatie B. Het gaat immers om de toename van de parkeerdruk in de openbare ruimte in dezelfde omgeving.
Rekenvoorbeeld:
Het speelgoedmuseum (stel parkeerbehoefte van 8 parkeerplaatsen) verhuist van Brink 58 (A) naar de Keizerstraat 24 (B). De Keizerstraat 24 had een parkeerbehoefte van 5 parkeerplaatsen. Als alleen de Keizerstraat in de beoordeling wordt betrokken zou daar sprake zijn van een toename van de parkeerbehoefte van 3 parkeerplaatsen.
Als er evenwel op korte termijn in het pand Brink 58 een nieuwe functie komt met een parkeerbehoefte van 6 parkeerplaatsen (“2 minder dan 8”), mag deze vermindering worden afgetrokken van de berekende toename van 3 parkeerplaatsen voor het speelgoedmuseum aan de aan de Keizerstraat , waardoor die toename op 3 – 2 =1 komt.
Omdat niet altijd direct duidelijk is welke nieuwe functie er komt op locatie A, en dus de mate van aftrek vaak niet kan worden berekend op het moment dat de toename van de parkeerbehoefte op locatie B moet worden bepaald zal hiervoor een regeling moeten worden getroffen.
Het college meent dat het redelijk is bij functieverplaatsing binnen hetzelfde gebied te werken met een:
voorlopige vaststelling van de toename van de parkeerbehoefte/parkeerbijdrage, welke uitgaat van een vervangende functie op locatie A met een gelijke parkeerbehoefte als de vertrekkende functie, en een
definitieve vaststelling van de parkeerbehoefte/parkeerbijdrage, indien en zodra uiterlijk binnen 5 jaar na voorlopige vaststelling, voldoende vast staat[3.] dat de nieuwe functie op locatie A een lagere parkeerbehoefte genereert.
Een en ander zal met het oog op betalings- respectievelijk restitutieverplichtingen bij parkeereisovereenkomst nader moeten worden uitgewerkt.
[3.]“voldoende vast staat” : dwz hetzij na vergunningverlening hetzij na daadwerkelijke ingebruikname
Beleidsregel 1.10 Berekening parkeerbehoefte bij functieverplaatsing binnen dezelfde omgeving
Burgemeester en wethouders kunnen bij functieverplaatsing binnen dezelfde omgeving (acceptabele loopafstand) de toename van de parkeerbehoefte c.q. de hoogte van de parkeerbijdrage voorlopig vaststellen en deze na invulling van een nieuwe functie op de oude locatie, maar uiterlijk binnen 5 jaar na voorlopige vaststelling, definitief vast stellen.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.1.8
Berekening parkeerbehoefte bij verplaatsing functie binnen acceptabele loopafstand
Onderdeel van BELEIDSREGELS PARKEREN BESTEMMINGSPLANNEN DEVENTER (versie 2015)