In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de
aanslagen die worden opgelegd in het belastingjaar waarop zij betrekking hebben,
worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag
van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
vermeld en de tweede twee maanden later.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de
aanslagen die worden opgelegd na het belastingjaar waarop zij betrekking hebben,
worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag
van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
vermeld en de tweede twee maanden later.
In afwijking in zoverre van het eerste lid, letter a, geldt, in geval het
totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het
aanslagbiljet maar één aanslag bevat en het bedrag daarvan, minder is dan € 5000,-,
en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso
kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke
termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in
het belastingjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien
verstande dat het aantal termijnen ten minste drie en ten hoogste tien bedraagt. De
eerste termijn vervalt op de 25e dag van de maand na de dagtekening van
het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
In afwijking van het tweede lid van dit artikel moeten aanslagen die worden
opgelegd na het belastingjaar waarop zij betrekking hebben, worden betaald in drie
gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend
op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de volgende
termijnen telkens een maand later.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden
gestelde termijnen
Artikel 7
Termijnen van betaling
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering onroerende zaakbelasting 2016