In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
markt: de warenmarkt die plaatsvindt op de, bij of krachtens artikel 3
van de Marktverordening vastgestelde dag, tijd en plaats;
marktterrein: de gehele openbare of voor publiek toegankelijke
oppervlakte grond die bij of krachtens artikel 3 van de Marktverordening
is aangewezen voor de uitoefening van markthandel;
marktmeester: de persoon, die als zodanig is aangewezen door het
college;
maand: kalendermaand;
week: periode van zeven achtereenvolgende dagen beginnende met de
maandag;
dag: de periode van 00.00 uur tot 24.00 uur waarbij een gedeelte van
een dag als een hele dag wordt aangemerkt;
standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt op het
marktterrein is aangewezen door het college voor het uitoefenen van de
markthandel;
standplaatshouder: ieder aan wie door het college is toegestaan om
gedurende een markt een standplaats te bezetten;
dagplaats: een standplaats die per marktdag beschikbaar wordt gesteld
aan een standplaatshouder, omdat een dergelijke plaats niet als vaste
plaats is toegewezen dan wel ingenomen;
vaste plaats: een standplaats die op een markt voor onbepaalde tijd
ter beschikking wordt gesteld aan de vergunninghouder;
een vaste plaats met hoek: een vaste plaats die aan twee zijden aan
een voor het publiek geprojecteerde gang is gelegen;
vergunninghouder: degene aan wie vergunning is verleend tot het
innemen van een vaste plaats op het marktterrein;
promotiegeld:het bedrag dat in rekening wordt gebracht voor
promotionele activiteiten.
Artikel 1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van marktgeld 2016