Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de
vergunning ingetrokken indien:
de exploitatie van de inrichting door een andere dan
de in de vergunning genoemde houder wordt
overgenomen;
de exploitant of de beheerder niet meer voldoet aan
de in artikel 2:40d onder sub a en b gestelde
eisen.
De burgemeester kan de vergunning ook intrekken, indien:
aannemelijk is dat de exploitant of andere
leidinggevenden betrokken zijn of hen ernstige
nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als
bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet
of bij andere activiteiten in of vanuit de openbare
inrichting die een gevaar voor de openbare orde
opleveren en/of een bedreiging vormen voor het woon-
en leefklimaat in de omgeving van de openbare
inrichting, dan wel indien naar zijn oordeel de
wijze van bedrijfsvoering of het levensgedrag, als
bedoeld in artikel 2:40d, onder b, een dergelijk
gevaar of een dergelijke bedreiging vormen;
dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de
openbare orde, aantasting of bedreiging van het
woon- en leefklimaat daaronder begrepen;
een in de artikelen 2:40g en 2:40h gesteld verbod
wordt overtreden
Hoofdstuk 2. › Afdeling 10A.
Artikel 2:40h
Intrekking vergunning
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2016