Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Afdeling 2.

Artikel 2:10

Voorwerpen op of aan een openbare plaats

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2022

1.. Het is verboden zonder voorafgaande vergunning (objectvergunning) van het bevoegde bestuursorgaan een weg en/of openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. . De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3.. Het verbod is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in artikel 2:24; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; en overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg en/of openbare plaats is verleend. 4.. Het verbod geldt tevens niet voor de volgende voorwerpen mits wordt voldaan aan het bepaalde in de nadere regels uit hoofde van het vierde lid: terrassen als bedoeld in artikel 2:27 eerste lid onder b; uitstallingen; bouwobjecten; reclameborden; plantenbakken en banken; nader door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen. 5.. Het college stelt nadere regels voor de categorieën, bedoeld in het vierde lid; 6.. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de Verordening wegen Noord-Brabant 2010. 7. . In dit artikel wordt onder bevoegd bestuursorgaan verstaan het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. 8.. Op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel