De subsidieverlening kan, naast de in artikel 4:25, 4:35 Awb en artikel 11 Asv genoemde gevallen, geheel of gedeeltelijk geweigerd worden indien naar het oordeel van het college:
de activiteiten geen aantoonbare bijdrage leveren aan de samenhang in het aanbod van Wmo-voorzieningen;
de activiteiten onvoldoende bijdragen aan de doelstellingen van de Wmo;
bij de inwoners geen behoefte bestaat aan de activiteit dan wel niet of onvoldoende is aangetoond dat daaraan behoefte bestaat;
de kosten van de activiteit te hoog zijn in verhouding tot het effect van de activiteit, waaronder het aantal personen dat van de voorziening gebruik kan of zal maken;
de activiteiten uitsluitend of mede tot doel hebben de deelnemers te overtuigen van een politieke, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging;
de financiële continuïteit van de bedrijfsvoering van de subsidieaanvrager niet is gegarandeerd;
de subsidieaanvrager de kwaliteit van de te subsidiëren activiteiten onvoldoende waarborgt;
de in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur bedoelde omstandigheden zich voordoen;
de verlening de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen door begunstiging van bepaalde ondernemingen of producties als bedoeld in artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Artikel 9
Aanvullende weigeringsgronden
Onderdeel van SUBSIDIEVERORDENING ALGEMENE VOORZIENINGEN WMO 2015