**1..** Aan een parkeervergunning worden de volgende voorschriften
verbonden:
**a..** Een parkeervergunning is alleen geldig voor het parkeren met een
motorvoertuig waarvan het kenteken is geregistreerd als zijnde het
kenteken waaronder de vergunning is verleend;
**b..** Tijdens het parkeren moet de parkeervergunning van aanvang aan in
het motorvoertuig aanwezig zijn en met de zijde waarop het kenteken
staat vermeld naar boven, op een van buitenaf duidelijk leesbare
plaats achter de voorruit zijn geplaatst (tenzij de vergunning
digitaal is verleend);
**c..** Tijdens het parkeren moet op de kraskaart de parkeertijd - conform
de gebruiksaanwijzing – zijn aangegeven en moet de kaart duidelijk
zichtbaar achter de voorruit van het motorvoertuig zijn geplaatst
(tenzij de kraskaart elektronisch is verleend);
**d..** Als één of meer van genoemde voorschriften niet wordt nageleefd,
wordt dit voor de uitvoering van deze verordening beschouwd als
parkeren zonder vergunning.
**2..** Een parkeervergunning geldt voor het parkeren met een motorvoertuig
op één belanghebbenden- of parkeerapparatuurplaats.
Afdeling III.
Artikel 8
Voorschriften voor gebruik van vergunningen
Onderdeel van Parkeerverordening Zeist 2016