Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Begripsbepalingen

Onderdeel van Beleidsregel gebruik onzelfstandige woonruimte Velsen 2015

In deze beleidsregel wordt verstaan onder: Onzelfstandige woonruimte: woonruimte die niet door een persoon of een huishouden kan worden bewoond, zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, die gedeeld worden met anderen, zoals een keuken, toilet, badkamer, etc. Huishouden: een verzameling van één of meer personen die een zelfstandige huishouding voeren, waarbij sprake is van continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid. Woning: gebouw of een gedeelte daarvan, bestaande uit een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. Logiespand: gebouw of deel van een gebouw waarin onzelfstandige woonruimte wordt verleend aan meer dan één huishouden, naast de eventuele hoofdbewoner (eigenaar/huurder). Afwijking: een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan zoals omschreven in artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Gebruiksoppervlakte wonen: de bewoonbare oppervlakte achter de voordeur van het kamerverhuurpand, exclusief opslagruimten, op basis van de “Meetinstructie bepalen gebruiksoppervlakte woningen volgen NEN 2580”.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel