Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Intrekkingsregels bij uitblijven aanvang bouwwerkzaamheden

Onderdeel van Beleidsregels intrekken omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen

1. Op grond van artikel 2.33 lid 2 aanhef en onder a van de Wabo is het college bevoegd om een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken als niet binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning een begin is gemaakt met het bouwen. 2. Indien zich urgente en/of zwaarwegende planologische belangen voordoen, wordt van de bevoegdheid tot intrekking van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen na 26 weken actief gebruik gemaakt. 3. Onder ‘urgente en/of zwaarwegende planologische belangen’ wordt in dit verband een situatie verstaan als voor het gebied waarbinnen het vergunde project is gesitueerd een bestemmingsplan in voorbereiding is en/of het vergunde object toekomstige planologische ontwikkelingen frustreert. Hierbij moet ten minste sprake zijn van een geldend voorbereidingsbesluit op grond van de Wet op de ruimtelijke ordening (hierna ook te noemen: Wro) dan wel een ontwerpbestemmingsplan dat op grond van de Wro ter inzage is gelegd en is gepubliceerd. 4. Indien er geen sprake is van urgente en/of zwaarwegende belangen, dan wordt van deze bevoegdheid gebruik gemaakt als er 2 jaren zijn verstreken na het onherroepelijk worden van de vergunning. 5. Indien niet tijdig met de uitvoering van de het werk is begonnen, wordt aan de vergunninghouder een voornemen van het intrekken van de omgevingsvergunning bekend gemaakt volgens artikel 7 van deze beleidsregels. 6. Indien een zienswijze is ingediend, wordt bekeken of de ingediende zienswijze aanleiding geeft tot het gunnen van een ruimere termijn waarbinnen met het bouwen een begin moet zijn gemaakt. 7. De termijn bedoeld in het zesde lid wordt naar redelijkheid en in het licht van het concrete geval bepaald. De verlenging bedraagt maximaal 1 jaar nadat is gereageerd op de zienswijze.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel