Naar hoofdinhoud
Deze beleidsregels treden in werking op 6 maart 2015. Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen op 27 januari 2015. Burgemeester en wethouders van Emmen, de secretaris, de burgemeester Toelichting Jaarlijks worden er omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen verleend, aan zowel particulieren als aan bedrijven. Tot 1 oktober 2010 werden bouwvergunningen verleend op grond van de Woningwet. Sinds 1 oktober 2010 geldt echter de Wabo. In de Wabo wordt gesproken over een ‘omgevingsvergunning die geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk’. In dit beleidsstuk wordt gesproken over een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Desalniettemin vallen niet alleen omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen onder deze beleidsregels, maar ook bouwvergunningen zoals die voorheen onder de Woningwet werden verleend. In beginsel heeft een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een onbeperkte geldigheidsduur. Burgemeester en wethouders hebben echter de bevoegdheid in bepaalde gevallen de vergunning in te trekken. Wanneer er geen handelingen zijn (of worden) verricht met gebruikmaking van de vergunning, dan is het om de hierna te noemen redenen raadzaam de vergunning in te trekken. Het kan daarbij gaan om een situatie dat er geen aanvang is gemaakt met de bouwwerkzaamheden dan wel dat de bouwwerkzaamheden stilliggen. De meeste vergunningen worden binnen afzienbare tijd na verlening gerealiseerd. Het komt echter ook voor dat er geen, of pas na een aantal jaar, gebruik wordt gemaakt van een vergunning. Hierdoor ontstaat het risico op ‘slapende’ vergunningen. Om verschillende redenen is het ongewenst om (nog) niet gerealiseerde vergunningen tot in lengte van jaren voort te laten bestaan. Hierbij kan ondermeer aan de volgende redenen worden gedacht. Er moet worden voorkomen dat (nieuwe) planologische en stedenbouwkundige inzichten worden doorkruist door bouwplannen die in het verleden zijn vergund, maar nog niet zijn uitgevoerd. Aan de nieuwste technische eisen wordt met het bouwen van een bouwwerk op basis van een oude vergunning vaak niet meer voldaan. Vanuit administratief oogpunt is het gewenst dat het gemeentelijk bouwarchief zoveel mogelijk overeenstemt met de feitelijke situatie buiten. Een verschil van de feitelijke en planologische situatie kan voor problemen zorgen bij taxaties in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna ook te noemen WOZ). De Basisregistraties voor Adressen en Gebouwen (hierna ook te noemen: BAG) moeten actueel worden gehouden en worden beheerd, waardoor eenduidige informatie kan worden verstrekt. Met name de ontwikkeling van de bouwtechnische eisen vanuit het bouwbesluit, hebben er toe geleid om een termijn van twee jaar op te nemen om tot intrekking van de vergunning voor de activiteit bouwen over te gaan. De gemeente Emmen heeft namelijk ondermeer beleid vastgesteld in de ‘Energienota’, waarin uitgangspunten ten aanzien van de energiezuinigheid van woningen zijn opgenomen. Handhaving van de meest recente EPN is daabij van belang. Om die reden is het ook van belang om vergunningen voor de activitit bouwen na niet al te lange tijd te kunnen intrekken als deze niet (meer) worden gebruikt en is de termijn op twee jaar geteld. Criteria bij besluitvorming Het intrekken van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is een discretionaire bevoegdheid. Dit houdt in dat als de situatie zoals hiervoor omschreven zich voordoet, het college van burgemeester en wethouders de vergunning kan intrekken, maar daartoe niet verplicht is. Bij de beslissing om een dergelijke vergunning al dan niet in te trekken, heeft het college beleidsvrijheid en moet de rechter terughoudend toetsen. Dit laatste houdt in dat de rechter zich moet beperken tot het antwoord op de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. In artikel 3:4 Awb is bepaald dat een bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afweegt, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. Naast de door het college gestelde belangen behoren daartoe ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder. In dit verband moet ook de vraag worden beantwoord of het niet tijdig gebruik maken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. Ook feitelijke en privaatrechtelijke belangen, die een mogelijke belemmering kunnen vormen voor het feitelijk gebruik maken van de omgevingsvergunning, kunnen relevante belangen zijn bij de hantering van de bevoegdheid tot intrekking van de vergunning. Voor het oordeel dat van een privaatrechtelijke belemmering als hier bedoeld sprake is, bestaat slechts aanleiding als deze belemmering evident is. Verder mogen de voor een of meer belanghebbende(n) nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Zoals bij het juridisch kader van dit beleidsstuk reeds is vermeld, wordt in artikel 4:81 Awb bepaald dat een bestuursorgaan beleidsregels kan vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid. Door beleid vast te stellen wordt duidelijk in welke gevallen het college van de bevoegdheid tot intrekking gebruik wenst te maken. Aangezien de vergunninghouder de gelegenheid krijgt zijn mening kenbaar te maken over de voorgenomen intrekking, voordat tot intrekking kan worden overgegaan, zijn alle belangen bekend en kan er een weloverwogen beslissing worden genomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel