Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Wijze van heffing en termijnen van betaling

Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2016

1.. De belasting bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren. 2.. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen twee maanden na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt via een telefoon of op een andere in het maatschappelijk en economisch verkeer geaccepteerde methode om achteraf aan de betaalplicht te kunnen voldoen; 3.. De belasting bedoeld in artikel 2, tweede lid, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald voor of bij de aanvang van het tijdvak waarvoor de vergunning wordt verleend. 4.. Een naheffingsaanslag moet worden betaald binnen de termijn die op de opgestuurde beschikking en acceptgiro is vermeld. 5.. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de gestelde voorschriften als voldoening op aangifte aangemerkt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel