Naar hoofdinhoud
1.. Van belemmering, hinder en/of gevaar voor het wegverkeer en/of voor de instandhouding en bruikbaarheid van een openbare plaats als gevolg van overhangende beplanting, is in ieder geval sprake indien: boven een openbaar voet- of fietspad de vrije doorgang minder dan twee meter en vijftig centimeter hoogte bedraagt; boven een openbare rijweg, een parkeerterrein en een rabatstrook de vrije doorrijhoogte minder dan vier meter en vijftig centimeter hoogte bedraagt; de beplanting tijdens het groeiseizoen van 1 mei tot en met 30 september gemeten vanaf de erfafscheiding boven een openbaar voet- of fietspad, een openbare rijweg, een parkeerterrein, een rabatstrook verder uitsteekt dan dertig centimeter en buiten het groeiseizoen verder dan de erfafscheiding zelf; bij lichtmasten en armaturen de beplanting de lichtval naar de openbare autowegen, parkeerterreinen, rabatstroken, voet- en fietspaden belemmert; verkeers- en informatieborden niet vrij van beplanting zijn of door beplanting niet goed zichtbaar zijn. 2.. De eigenaar of beheerder van overhangende beplanting is gehouden deze zodanig terug te brengen en terug gebracht te houden dat hinderlijke en/of gevaarlijke situaties, zoals bedoeld onder 2.1, worden vermeden. 3.. In het geval als bedoeld onder 2.1, lid c, dient na aanschrijving door of namens burgemeester en wethouders het terug brengen van overhangende beplanting in ieder geval plaats te vinden tot aan de erfgrens.

Rechtspraak bij dit artikel