Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 5.

Bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening

Onderdeel van Besluit maatschappelijke ondersteuning Hulst 2016

De eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening bedraagt maximaal de maximale bedragen zoals genoemd in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 artikel 3.8 lid 1 en volgen de jaarlijkse aanpassing zoals door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zal worden bepaald. voor de ongehuwde cliënt, niet meer dan € 19,40 per bijdrageperiode met dien verstande dat dit bedrag, indien zijn bijdrage-plichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.9: 1° meer bedraagt dan € 22.486 en hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat inkomen en € 22.486; 2° meer bedraagt dan € 16.887 en hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat inkomen en € 16.887; voor de gehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, niet meer dan € 27,80 per bijdrageperiode, met dien verstande dat dit bedrag, indien het gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.9: 1° meer bedraagt dan € 28.177 en een van beiden of beiden de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 28.177; 2° 2 meer bedraagt dan € 23.374 en beiden de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 23.374. Bij de toepassing van het eerste lid wordt per kalenderjaar uitgegaan van twaalf perioden van vier weken en een periode die, afhankelijk van resterende dagen, vier of vijf weken bedraagt. De bijdrage, bedoeld in het eerste lid is niet verschuldigd: indien de persoon aan wie een maatwerkvoorziening is verstrekt of zijn echtgenoot een bijdrage ingevolge de artikelen 4 of 14 van het Bijdragebesluit zorg verschuldigd is, of indien het college, na advies van een instelling voor algemeen maatschappelijk werk, de Raad voor de Kinderbescherming of het AMHK, van oordeel is dat de verschuldigdheid hiervan kan leiden tot mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding en ontwikkeling van een minderjarige, waarvan degene aan wie die maatwerkvoorziening is verstrekt de minderjarige of de ouder, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, is. Het eerste lid is niet van toepassing op de bijdrage in de kosten voor beschermd wonen of verblijf in een opvang. Voor rolstoelvoorzieningen is geen bijdrage verschuldigd. Voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige is een bijdrage verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel