Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK X › Paragraaf Uittreding

Artikel 38

Artikel 38

Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling van het Werkvoorzieningsschap West Noord-Brabant (WVS-groep)

1.. Uittreding van een gemeente die deelneemt aan deze regeling kan geschieden bij besluit van het college en met toestemming van de gemeenteraad van de betreffende gemeente. 2.. Een besluit tot uittreding treedt in werking met ingang van 1 januari van het tweede jaar volgend op het jaar waarin het besluit tot uittreding is genomen. Alle deelnemende gemeenten dienen het besluit tot uittreding op te nemen in het register als bedoeld in artikel 27, eerste lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 3.. Het dagelijks bestuur zendt een besluit tot uittreding van een gemeente aan de colleges en de raden van de deelnemende gemeenten. 4.. Een uittredende gemeente is gehouden na uittreding bij te dragen in de negatieve effecten op de exploitatie en in de als gevolg van de uittreding mogelijk ontstane desintegratiekosten. De bijdrage wordt vastgesteld door het algemeen bestuur en de uittredende gemeente. De wijze waarop de bijdrage wordt berekend sluit zoveel mogelijk aan op de bestaande jurisprudentie. 5.. Indien geen overeenstemming wordt bereikt tussen het algemeen bestuur en de uittredende gemeente over de bijdrage zoals bedoeld in lid 4, leggen partijen het geschil voor aan een geschillencommissie, bestaande uit één lid aan te wijzen door het algemeen bestuur, één lid aan te wijzen door het college van de uittredende gemeente en één lid aan te wijzen door de voornoemde leden, met dien verstande, dat bij het ontbreken van overeenstemming tussen hen gedeputeerde staten dat lid aanwijzen. De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen. De geschillencommissie brengt een voor partijen bindend advies uit. Indien sprake is van meer dan één uittredende gemeente wijst het algemeen bestuur een evenredig aantal leden in de geschillencommissie aan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel