Naar hoofdinhoud
Het havengeld bedraagt voor elke keer dat een binnenschip in de haven komt per ton laadvermogen, als bedoeld in artikel 4 van de verordening, € 0,133 ((€ 0,1582 inclusief omzetbelasting), met een minimum van € 29,50 ( € 35,105 inclusief omzetbelasting). In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, bedraagt het havengeld voor binnenschepen die de haven aandoen om slechts een gedeelte van de zaken te lossen of te laden, indien het gewicht van de te lossen of te laden zaken minder bedraagt dan de helft van het laadvermogen van het binnenschip, 50% van het binnenhavengeld dat bij het volledig laadvermogen van het binnenschip zou zijn verschuldigd, met een minimum van € 29,50 ( € 35,105 inclusief omzetbelasting). Voor binnenschepen die zijn gemaakt, ingericht of worden gebruikt voor het vervoer van containers, wordt havengeld bepaald op basis van het aantal te lossen en/of te laden containers per keer dat het binnenschip de haven aandoet. Het havengeld bedraagt € 1,78 (€ 2,1182 inclusief omzetbelasting) per container van 1 teu en € 3,56 (€ 4,2364 inclusief omzetbelasting) per container van 2 teu, waarbij voor de berekening het aantal geloste en geladen containers wordt geteld, met een minimum van € 29,50 ( € 35,105 inclusief omzetbelasting) per keer dat het binnenschip de haven aandoet. Voor overige vaartuigen bedraagt het havengeld voor elke keer dat het vaartuig de haven bezoekt € 88,50 (€ 105,315 inclusief omzetbelasting). Voor de hiervoor genoemde binnenschepen en vaartuigen ten behoeve waarvan langer dan zeven dagen van de haven gebruik is gemaakt, is opnieuw havengeld verschuldigd voor elk volgend tijdvak van zeven dagen.

Rechtspraak bij dit artikel