**1.** Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het
publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een
omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden
enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare
voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
**2.** Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
verbod is niet van toepassing op: a. speelautomatenhallen
waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de
Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; b.
speelgelegenheden waarvoor de minister van Veiligheid en
Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te
verlenen; c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt
geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de
Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op
speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de
kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a,
van de Wet op de kansspelen te verrichten.
**3.** De burgemeester weigert de vergunning: a. indien naar zijn
oordeel moet worden aangenomen dat de woon en leefsituatie in de
omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op
ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie
van de speelgelegenheid; b. indien de exploitatie van de
speelgelegenheid in strijd is met een geldend
bestemmingsplan.
**4.** Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
bestuursrecht van toepassing.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 10
Artikel 2:39
Speelgelegenheden
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening