**1.** De verleende standplaatsvergunning kan worden ingetrokken: a.
wanneer de ingeschreven niet langer handelingsbekwaam is of niet
langer voldoet aan alle overige voorgeschreven
publiekrechtelijke verplichtingen op het gebied van de
bedrijfsuitoefening en bedrijfsorganisaties; b. bij overlijden
van de standplaatshouder, tenzij het college overschrijving
toestaat; c. als gebleken is dat een ander dan de
vergunninghouder de standplaats in gebruik heeft genomen zonder
dat daarvoor vergunning is verleend; d. als een vergunninghouder
gedurende 3 achtereenvolgende dagen of gedurende 5 dagen binnen
een tijdvak van 13 weken geen gebruik heeft gemaakt van de
standplaats zonder een naar het oordeel van het college geldige
reden;
**2.** Het college kan, indien zij onverwijld optreden noodzakelijk
acht, de vergunninghouder in afwachting van de besluitvorming
het recht ontzeggen om de standplaats gedurende een periode van
maximaal vier weken daadwerkelijk te gebruiken.
Hoofdstuk 5 › Afdeling 4
Artikel 5:20
Gronden voor intrekking
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening