Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Subsidievoorwaarden VVE-arrangementen

Onderdeel van Nadere regels voor VVE-arrangementen

In aanvulling op de voorwaarden uit de wet en het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voor- en vroegschoolse educatie worden aan de subsidiëring van VVE-arrangementen de volgende voorwaarden gesteld: De houder zorgt er voor dat ten minste één beroepskracht voorschoolse educatie, die werkzaam is in de VVE-groep op de tijden dat VVE geïndiceerde kinderen daadwerkelijk worden opgevangen, beschikt over een certificaat van een met goed gevolg afgelegde scholing met betrekking tot het VVE-programma. Indien de andere beroepskracht, die op dezelfde groep staat, niet over dit certificaat beschikt, dient deze in ieder geval een opleiding als genoemd in artikel 4 lid 2 of 3 van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie te hebben afgerond. Daarnaast dient deze andere beroepskracht deel te nemen aan scholing met betrekking tot het VVE-programma of met deze scholing te gaan starten. Indien de beroepskracht al scholing volgt met betrekking tot het VVE-programma dient de beroepskracht aan te tonen dat hij of zij daar korter dan twee jaar mee bezig is. Indien de beroepskracht nog gaat starten met deze scholing dient hij of zij aan te tonen hiermee binnen zes maanden te zullen starten.In het geval er meer dan twee beroepskrachten op een VVE-groep staan dienen alle beroepskrachten een opleiding als genoemd in artikel 4 lid 2 of 3 van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie te hebben afgerond. De aanvullende scholingsvereisten met betrekking tot het VVE-programma gelden voor de eerste twee beroepskrachten. De houder legt in het pedagogisch plan dan wel werkplan vast: op welke wijze het VVE-programma door de hiervoor gecertificeerde beroepskrachten wordt uitgevoerd; hoe de vier onderscheiden ontwikkelingsdomeinen taal, rekenen/ordenen, sociaal emotionele ontwikkeling en motoriek zijn ingericht; en met welke frequentie kinderen aan het taal-intensieve aanbod kunnen deelnemen. De houder registreert per dagdeel de aanwezigheid van de VVE-geïndiceerde kinderen in een aanwezigheidsregistratiesysteem. De houder registreert per dagdeel de ingezette beroepskrachten op de VVE-groepen in een aanwezigheidsregistratiesysteem. De houder legt de vorderingen op het gebied van taal en rekenen/ordenen vast in het Cito/LOVS. Voor de registratie van de sociaal-emotionele en motorische ontwikkeling dient de houder een kindvolgsysteem te gebruiken dat is afgestemd met de gemeente. De houder registreert de sociaal-emotionele en motorische ontwikkeling conform de voor dit systeem geldende protocollen of werkinstructies met betrekking tot de periodieke verzameling en vastlegging van ontwikkelingsgegevens. De houder draagt zorg voor een goede, warme overdracht van de VVE-peuter naar de basisschool. Bij de overdracht is er persoonlijk contact tussen de beroepskracht en de leerkracht, met als doel de school te informeren over de ontwikkeling en de leefsituatie van het kind, de pedagogische en didactische aansluiting en de zorgbehoefte van het kind. De houder legt in het beleidsplan dan wel werkplan of in een protocol dan wel werkinstructie vast hoe hij zorgt voor een warme overdracht van de peuter die een VVE-programma volgt naar de basisschool. De houder heeft in een ouderbeleidsplan of werkplan beschreven: hoe hij de ouders betrekt bij het VVE-programma; welk stappenplan hij volgt indien het kind minder dan tien uur per week deelneemt aan het VVE-arrangement, met als doel het kind zo spoedig mogelijk weer te laten deelnemen aan het volledige arrangement van tien uren per week. Op de houder rust daarbij de inspanningsverplichting de ouder(s) te bewegen het kind aan het volledige arrangement van tien uur per week te laten deelnemen. De houder legt bij de opname van het kind in het VVE-arrangement met de ouders schriftelijk vast dat zij: om redenen van continuïteit hun kind tenminste één jaar ononderbroken deel laten nemen aan het VVE-arrangement, tenzij: omstandigheden gelegen in het gezin of bij het kind dit onmogelijk maken, of het kind bij de instroom in het VVE-programma reeds de leeftijd van drie jaar heeft bereikt, in welk geval de vastlegging betrekking heeft op de resterende VVE-periode; de intentie hebben deel te nemen aan de ouderactiviteiten, zoals die omschreven zijn in het pedagogische plan van de organisatie; instemmen met overdracht van gegevens over hun kind aan de door hen gekozen basisschool; bij voorkeur een basisschool kiezen binnen een Integraal KindCentrum waar de houder onderdeel van uitmaakt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel