Lid 1
De CRvB (Centrale Raad van Beroep) is van mening dat het opleggen van een boete van 100% van het benadelingsbedrag alleen te rechtvaardigen is als opzet kan worden aangetoond. De hoogte van de boete wordt op grond van artikel 5:46 Awb dus altijd afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van persoon en gezin.
De CRvB heeft in zijn uitspraak van 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3754) bepaald dat bij de afstemming van de boete de volgende uitgangspunten gelden:
opzet aantoonbaar (willens en wetens): 100% van het benadelingsbedrag;
geen opzet, wel grove schuld (grove onachtzaamheid): 75% van het benadelingsbedrag;
geen opzet en geen grove schuld (kennelijke vergissing): 50% van het benadelingsbedrag;
voldaan aan de criteria van artikel 2a Boetebesluit of om andere reden sprake van verminderde verwijtbaarheid: 25% van het benadelingsbedrag.
Factoren die volgens de CRvB invloed kunnen hebben op de hoogte van de boete zijn onder andere:
het eenmalig niet opzettelijk doen van een onjuiste opgave in combinatie met onder andere het niet adequaat door het bestuursorgaan reageren op wel verstrekte gegevens;
duur van de overtreding;
omvang en aard van niet gemelde werkzaamheden of inkomsten;
eerste overtreding of recidive;
persoonlijke omstandigheden, waaronder de draagkracht van de overtreder.
Lid 2 Boete 50%
Als er geensprake is van opzet, grove schuld of verminderde verwijtbaarheid, dan is sprake van normale gemiddelde verwijtbaarheid. Daarbij hoort een boete van maximaal 50% van het benadelingsbedrag. Hier valt ook de ‘kennelijke vergissing’ onder.
Een voorbeeld zien we in een uitspraak van de CRvB van 11 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4214). Daar had aanvrager de vraag of zij inkomsten of uitkering ontving met ‘nee’ ingevuld, terwijl ze een nabestaandenpensioen ontving. De Centrale Raad stelt dat zij weliswaar misschien geen oogmerk had om fraude te plegen, maar dat het enkele feit dat zij een duidelijk geformuleerde vraag foutief heeft beantwoord voldoende is om normale gemiddelde verwijtbaarheid aan te nemen. Het was aan haar om bij twijfel navraag te doen over de bedoeling van de vraag.
Lid 3 Boete 75%
Het RCF Kenniscentrum Handhaving omschrijft grove schuld als een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid die mede grove onachtzaamheid omvat, leidend tot het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting.
Lid 4 Boete 100%
Een boete van 100% van het benadelingbedrag wordt slechts opgelegd als er sprake is van opzet. Als een boete van 100% wordt opgelegd, mag niet worden afgerond op € 10,- naar boven, gezien het feit dat de Participatiewet stelt dat de boete wordt vastgesteld op maximaal de hoogte van het benadelingsbedrag.
Voorbeelden van gedragingen:
100%
75%
50%
Willens en wetens onjuiste of onvolledige informatie verstrekken
Het ROF niet inleveren
Uit het dossier blijken geen feitelijke omstandigheden waardoor opzet en grove schuld wordt vermoed
Willens en wetens extra inkomsten verzwijgen
Het ROF, na meerdere herinneringen te laat inleveren
Lid 5 Boete 25%
De criteria van artikel 2a Boetebesluit zijn:
betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden die niet tot het normale levenspatroon behoren en die emotioneel zo ontwrichtend waren dat het niet (volledig) verstrekken van inlichtingen hem niet (volledig) valt toe te rekenen;
betrokkene verkeerde (tijdelijk) in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen;
betrokkene heeft weliswaar niet (tijdig) aan zijn inlichtingenplicht voldaan, maar heeft uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voor de overtreding werd geconstateerd.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid schrijft in zijn brief van 16 december 2014 dat hij in het Boetebesluit twee veelgebruikte categorieën wil toevoegen aan die criteria:
er is sprake van een samenloop van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid;
er is sprake van “gedeelde verwijtbaarheid”, bijvoorbeeld bij (gedeeltelijke) omissies van de uitvoering.
Bij de “gedeelde verwijtbaarheid” kunnen ook eventuele fouten in de bedrijfsvoering zelf meegewogen worden (bijvoorbeeld het laten voortduren van een incorrecte situatie, terwijl de uitvoering van het bestaan hiervan wist). De kwaliteit van de bedrijfsvoering van de gemeente en de informatieplicht van de uitkeringsgerechtigden aan de gemeente zijn communicerende vaten. Bij kwaliteit van de bedrijfsvoering gaat het vooral om de kwaliteit van voorlichting aan bestaande en potentiële uitkeringsgerechtigden en de wijze waarop de verstrekte inlichtingen adequaat worden verwerkt. Maar, zoals uit de jurisprudentie blijkt, toetst de rechter ook de wijze van controle door de gemeente. Hierbij kun je denken aan voortvarendheid en oplettendheid van de behandelende medewerker en het informeren van klanten van nieuwe dan wel gewijzigde controlevoorschriften en interne handelswijzen. Kortom, de rechter toetst integraal de kwaliteit van het handhavingsbeleid als deelelement van de verminderende mate van verwijtbaarheid.
In de praktijk blijkt dat miscommunicatie tussen de uitkeringsgerechtigde en de klantmanager vaak een grondslag vormt om de boete te matigen.
Lid 6 Afzien van de boete
Het college beoordeelt of een op te leggen boete ongewenste effecten heeft. Als dat zo is, wordt de hoogte van de boete aangepast of wordt er van boeteoplegging afgezien (artikel 18a, vierde lid, van de wet). Dit wordt aan de hand van de individuele omstandigheden beoordeeld. In dat geval telt het besluit wel mee bij de vraag of er sprake is van recidive. Van een besluit tot afzien van het opleggen van een boete wegens dringende redenen wordt aan de belanghebbende schriftelijk mededeling gedaan.
Bij het ontbreken van verwijtbaarheid wordt geen boete opgelegd (artikel 5:41 Awb). Dat geldt ook als er sprake is van een rechtvaardigheidsgrond (artikel 5.5 Awb) of ingeval van overlijden van de dader.
Lid 7 Matiging
Afstemming op omstandigheden van persoon en gezin vindt altijd plaats na eventuele afstemming op ernst van de gedraging en mate van verwijtbaarheid.
Bij de weging van de gevolgen van de boeteoplegging voor de omstandigheden van persoon en gezin kan worden gedacht aan de financiële gevolgen en aan de effecten die dat heeft op bijvoorbeeld de (minderjarige) kinderen. Er moet wel sprake zijn van zeer bijzondere omstandigheden voor tot matiging (tot 50%) van de boete kan worden overgegaan. Het alleen hebben van een financieel nadeel mag niet leiden tot een lagere boete.
Deze weging gebeurt op het moment dat de boete wordt opgelegd.
Lid 8 Recidive
Als de belanghebbende binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van de eerste overtreding nogmaals de inlichtingenplicht schendt, is er sprake van recidive. De boete is dan in beginsel 150% van het benadelingsbedrag.
De hiervoor besproken wegingsfactoren zijn vervolgens van toepassing alvorens de boete wordt vastgesteld.
Artikel 3.
Afstemming van de boete
Onderdeel van Beleidsregels boeteoplegging Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Velsen, eerste wijziging