De aanslagen die worden opgelegd in het kalenderjaar waarop zij
betrekking hebben, moeten worden betaald in twee gelijke termijnen,
waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op
de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en
de volgende termijn een maand later.
In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, zolang de
verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso
kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald
in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van
het aanslagbiljet nog maanden in het kalenderjaar waarin de
aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande dat het
aantal termijnen ten minste drie en ten hoogste tien bedraagt.
De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet
en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
moeten andere aanslagen dan die genoemd in het eerste lid, worden
betaald uiterlijk drie maanden na de dagtekening van het
aanslagbiljet.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de
voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 7
Termijn van betaling
Onderdeel van Verordening onroerende-zaakbelastingen gemeente Laarbeek 2016.