Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 6.

Zittingsduur en vacatures

Onderdeel van Verordening op de Raadscommissies 2015

1.. De zittingsperiode van een lid, een plaatsvervangende lid, de voorzitter en zijn plaatsvervanger, eindigt in ieder geval met het einde van de zittingsperiode van de raad. 2.. Een lid of een plaatsvervangend lid houdt op lid te zijn van een raadscommissie indien zij niet meer voldoen aan de in artikel 4, vijfde lid, gestelde eisen. 3.. De raad kan een lid ontslaan op voorstel van de fractie op wiens voordracht het lid is benoemd. 4.. De raad kan de voorzitter ontslaan. 5.. Leden en plaatsvervangend leden en de voorzitter en zijn plaatsvervanger kunnen te allen tijde ontslag nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan de raad. Het ontslag gaat een maand na de schriftelijke mededeling in of zoveel eerder als hun opvolger is benoemd. 6.. Indien door overlijden of ontslag een vacature ontstaat, beslist de raad zo spoedig mogelijk over de vervulling daarvan met inachtneming van artikel 4 en 5. 7.. Indien een fractie blijkens een schriftelijke verklaring aan de voorzitter van de raad niet langer vertegenwoordigd is in de raad, vervalt het lidmaatschap van het lid of de leden en van het plaatsvervangend lid of leden die op voordracht van die fractie zijn benoemd, van rechtswege.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel