De paragrafen 2 tot en met 6 van afdeling I van hoofdstuk 2 de Regionale
Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 komen te luiden:
Paragraaf 2 Toelating tot het aangewezen deel van de
woningmarkt
Artikel 2.2.1
Toelatingscriteria
Om in aanmerking te komen voor een huisvestingsvergunning dient een
woningzoekende te voldoen aan de volgende voorwaarden:
tenminste één van de leden van het huishouden van de woningzoekende
is niet minderjarig als bedoeld in artikel 1:233 van het Burgerlijk
Wetboek;
de leden van het huishouden van de woningzoekende bezitten de
Nederlandse nationaliteit of worden op grond van een wettelijke
bepaling als Nederlander behandeld of zijn vreemdeling en verblijven
rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, a t/m e en l van
de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 2.2.2 Aanvullend
toelatingscriterium particuliere huurvoorraad
In aanvulling op de voorwaarden genoemd in artikel 2.2.1 geldt om
toegelaten te worden tot de woonruimten waarop het bepaalde in
paragraaf 4 van toepassing is de volgende voorwaarde: het inkomen
van het huishouden bedraagt maximaal € 43.000.
Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt bij aanvang van het
kalenderjaar 2016 en elk daarop volgende kalenderjaar geacht te zijn
verhoogd met het percentage waarmee in het daaraan voorafgaande
kalenderjaar het Europees geharmoniseerde prijsindexcijfer voor
consumentenprijzen is gestegen.
Artikel 2.2.3 Aanbieden van
woonruimte
Corporaties bieden hun voor verhuur beschikbare woonruimten
eenduidig en transparant te huur aan via een aanbodinstrument of via
meerdere aanbodinstrumenten.
Bij het aanbieden van woonruimte wordt vermeld aan welke eisen de
woningzoekende moet voldoen om in aanmerking te komen voor de
aangeboden woonruimte.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op
directe bemiddeling.
Artikel 2.2.4 Woningzoekenden
en inschrijving
Personen van 18 jaar en ouder kunnen zich als woningzoekenden
inschrijven via een aanbodinstrument. De inschrijving in een in de
regio gebruikt aanbodinstrument geldt als inschrijving in elk in de
regio gebruikt aanbodinstrument.
De inschrijfduur is gelijk aan de periode dat men als woningzoekende
ingeschreven staat.
De inschrijving eindigt nadat een woningzoekende als huurder
woonruimte aangewezen in artikel 2.1.1 in gebruik heeft
genomen.
De in het derde lid bedoelde beëindiging van de inschrijving betreft
tevens de leden van het huishouden, niet-zijnde meeverhuizende
inwonende kinderen, wier medeverhuizing noodzakelijk was voor het
verkrijgen van een huisvestingsvergunning voor de bewoning van de
betreffende woonruimte.
In afwijking van het bepaalde in het derde lid eindigt de
inschrijving niet nadat een woningzoekende als huurder woonruimte
aangewezen is in artikel 2.1.1 in gebruik heeft genomen, voor zover
die woonruimte geen eigendom is van een corporatie en niet via het
aanbodinstrument Woningnet te huur is aangeboden.
Artikel 2.2.5 Voorwaarden aan
inschrijving via het aanbodinstrument
Door of namens de corporatie die verantwoordelijk is voor een
aanbodinstrument kunnen voorwaarden aan de in het eerste lid bedoelde
inschrijving worden verbonden. De voorwaarden zijn openbaar en te raadplegen
via de website van het aanbodinstrument.
Artikel 2.2.6 Aanvraag
vergunning en in te dienen bescheiden
Op een aanvraag om een huisvestingsvergunning beslissen burgemeester
en wethouders van de gemeente waarin de woonruimte is gelegen.
De aanvraag gaat vergezeld van de volgende bewijsstukken:
meest recente inkomensgegevens van de woningzoekende, verstrekt door
diens werkgever, uitkeringsinstantie of pensioeninstantie dan wel de
meest recente aanslag inkomstenbelasting of een
accountantsverklaring indien aanvrager zelfstandig werkzaam is;
een uittreksel uit de basisadministratie van de woonplaats van aanvrager; en,
een kopie van een geldig verblijfsdocument indien de woningzoekende
en de overige leden van het huishouden waarop de aanvraag betrekking
heeft niet de Nederlandse nationaliteit bezitten.
De aanvrager kan gevraagd worden een geldig identiteitsbewijs van
alle leden van het huishouden waarop de aanvraag betrekking heeft,
te tonen.
Indien aanvrager een huisvestingsvergunning aanvraagt voor
woonruimte als bedoeld in artikel 2.4.4, tweede lid, eerste kolom,
derde rij, dient de aanvraag tevens vergezeld te gaan van een
indicatie op basis waarvan beoordeeld kan worden of de specifieke
eigenschappen van de woonruimte tegemoetkomen aan de verminderde
zelfredzaamheid van één of meerdere leden van het huishouden.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om nadere gegevens te vragen
die nodig zijn om de aanvraag te beoordelen.
Artikel 2.2.7
Beslistermijn
Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na datum van
indiening op de aanvraag voor een huisvestingsvergunning.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de beslistermijn eenmalig te
verlengen met vier weken.
Artikel 2.2.8 Gegevens op
vergunning
De beschikking op de aanvraag bevat tenminste:
de persoonsgegevens van de aanvrager;
de samenstelling van het huishouden dat de woonruimte wil
betrekken;
het adres van de woonruimte waar de aanvraag betrekking op
heeft;
het voorschrift houdende dat binnen vier weken na verlening van de
vergunning de woonruimte in gebruik genomen wordt.
Burgemeester en wethouders kunnen in de beschikking tevens opnemen
dat de vergunning slechts geldig is indien het gehele huishouden
waarvoor de vergunning is verleend, de woonruimte betrekt.
Paragraaf 3
Vergunningverlening
particuliere huurvoorraad
Artikel
2.3.1Reikwijdte
paragraaf 3
Het bepaalde in deze paragraaf is niet van toepassing op ingevolge artikel
2.1.1 aangewezen woonruimte die eigendom is van een corporatie.
Artikel 2.3.2
Weigeringsgronden van de
huisvestingsvergunning
Burgemeester en wethouders weigeren de huisvestingsvergunning
indien:
het huishouden niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel
2.2.1 en artikel 2.2.2;
het huishouden al in het bezit is van een geldige
huisvestingsvergunning;
het huishouden op grond van artikel 2.3.3 niet voor de
huisvestingsvergunning in aanmerking komt; of,
niet aannemelijk is dat het huishouden de woonruimte in gebruik zal
nemen.
Burgemeester en wethouders verlenen de huisvestingsvergunning indien
geen van de in het eerste lid genoemde weigeringsgronden zich
voordoen.
Artikel 2.3.3 Bezettingsnormen
Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning wordt overeenkomstig het
bepaalde in Bijlage 3 voorrang verleend.
Artikel 2.3.4 Intrekken
vergunning
Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning intrekken,
indien:
a.het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte niet binnen de
genoemde termijn in gebruik heeft genomen;
b.de vergunning is verleend op grond van door de houder van de vergunning
verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat
zij onjuist of
onvolledig waren.
Paragraaf 4
Toewijzing en
vergunningverlening corporatiewoningen
Artikel 2.4.1 Reikwijdte paragraaf
4
Het bepaalde in deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op ingevolge
artikel 2.1.1 aangewezen woonruimte die eigendom is van een corporatie.
Artikel 2.4.2
Weigeringsgronden van de huisvestingsvergunning
Burgemeester en wethouders weigeren de huisvestingsvergunning
indien:
het huishouden niet voldoet aan de toelatingscriteria genoemd in
artikel 2.2.1;
b.het huishouden al in het bezit is van een huisvestingsvergunning;
c.het huishouden op grond van het bepaalde in artikel 2.4.6 niet voor de
huisvestingsvergunning in aanmerking komt;
d.het niet aannemelijk is dat het huishouden de woonruimte in gebruik zal
nemen; of,
e.de corporatie, gelet op haar taak als toegelaten instelling of haar belang
als verhuurder, daaronder mede begrepen haar verantwoordelijkheid voor de
bescherming van de belangen van de overige huurders en voor de waarborging
van het woongenot, redelijkerwijs het sluiten van een huurovereenkomst met
aanvrager heeft kunnen weigeren.
2.Burgemeester en wethouders verlenen de huisvestingsvergunning indien geen
van de in het eerste lid genoemde weigeringsgronden zich voordoen.
Artikel 2.4.3 Intrekken
vergunning
Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning intrekken,
indien:
a.het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte niet binnen de
genoemde termijn in gebruik heeft genomen;
b.de vergunning is verleend op grond van door de houder van de vergunning
verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kan vermoeden dat
zij onjuist of
onvolledig waren.
Artikel 2.4.4
Passendheidscriteria: voorrang gelet op de aard, grootte en prijs van
woonruimte
1.Als categorieën woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de wet worden
aangewezen de categorieën woonruimte beschreven in kolom 1 van de in het
tweede lid opgenomen tabel.
2.Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor woonruimte die
behoort tot een in kolom 1 genoemde categorie woonruimte wordt voorrang
gegeven aan de categorieën woningzoekenden genoemd in kolom 2 achter de
desbetreffende categorie woonruimte.
Kolom 1: Categorie woonruimte
(labels)
Kolom 2: Categorie woningzoekenden
(voorrangsgroepen)
Woonruimte in het bijzonder
geschikt voor de huisvesting van
senioren
huishoudens waarvan één lid tenminste
de leeftijd van 55 jaar of ouder
heeft bereikt. Indien er geen huishouden
dat voldoet aan het in de eerste zin
bepaalde voor de woonruimte in
aanmerking komt, wordt voorrang gegeven
aan het huishouden met een lid dat de
leeftijd van 55 jaar het dichtst benadert.
Woonruimte in het bijzonder
geschikt voor de huisvesting van
jongeren
huishoudens bestaande uit één
persoon, zijnde een jongere
met een leeftijd tot 26 jaar die geen
student is.
Woonruimte in het bijzonder
geschikt voor de huisvesting van
personen met verminderde
zelfredzaamheid
huishoudens in het bezit van een indicatie
waaruit blijkt dat de specifieke
eigenschappen van de woonruimte tegemoetkomen aan de
verminderde zelfredzaamheid van één of meerdere
leden van het huishouden
Woonruimte gelet op de
huurprijs in het bijzonder geschikt voor
de huisvesting van huishoudens met
een laag inkomen
Huishoudens met een laag inkomen als
bedoeld in lid 3.
Woonruimte gelet op de
huurprijs in het bijzonder geschikt voor
de huisvesting van huishoudens met
een hoger inkomen
Huishoudens met een hoger inkomen
als bedoeld in lid 3
3.Huishoudens met een laag inkomen zijn huishoudens met een inkomen tot een
nader, bij het te huur aanbieden van woonruimte, door burgemeester en
wethouders te bepalen hoogte. Huishoudens met een hoog inkomen zijn
huishoudens met een inkomen boven een nader, bij het te huur aanbieden van
woonruimte, door burgemeester en wethouders te bepalen hoogte.
4.Als categorie woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de wet wordt voorts
aangewezen: woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting van
grote huishoudens.
Artikel 2.4.5
Bindingscriteria: voorrang bij regionale of lokale
binding
1.Bij de verlening van huisvestingsvergunningen wordt voor ten hoogste 50
procent van de in artikel 2.1.1 aangewezen categorieën woonruimte, voorrang
gegeven aan huishoudens omdat zij economisch of maatschappelijk gebonden
zijn aan de woningmarktregio, zoals bedoeld in artikel 14, derde lid, van de
wet.
2.Voor ten hoogste de helft van het in het eerste lid genoemde percentage
mag bij de verlening van huisvestingsvergunningen voorrang worden gegeven
aan woningzoekenden omdat zij economisch of maatschappelijk gebonden zijn
aan een tot de gemeente behorende kern als bedoeld in artikel 14, derde lid,
van de wet.
Artikel 2.4.6 Algemene
volgordebepaling
1.Indien woonruimte te huur wordt aangeboden via een aanbodinstrument wordt
de volgorde waarin de woningzoekenden die op het aanbod gereageerd hebben in
aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning bepaald overeenkomstig het
bepaalde in artikel 2.4.6 tot en met 2.4.8.
2.Voor een huisvestingsvergunning komen achtereenvolgens de volgende groepen
woningzoekenden in aanmerking:
a.de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke passendheids- en
bindingscriteria;
b.de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
passendheidscriteria;
c.de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke bindingscriteria;
d.de overige woningzoekenden.
3.Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing als op de te huur
aangeboden woonruimte het in artikel 2.4.4, vierde lid, opgenomen
passendheidscriterium van toepassing is.
Artikel 2.4.6a Bijzondere volgordebepaling
1.Het bepaalde in dit artikel is van toepassing als op te huur aangeboden
woonruimte het in artikel 2.4.4, vierde lid, opgenomen passendheidscriterium
van toepassing is.
2.Voor een huisvestingsvergunning komen achtereenvolgens de volgende negen
groepen woningzoekenden in aanmerking:
a.woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke bindingscriteria, in het
bezit zijn van een urgentieverklaring en wier huishouden mede bestaat uit
drie of meer inwonende kinderen jonger dan 18 jaar;
b.woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke bindingscriteria, in het
bezit zijn van een urgentieverklaring en wier huishouden mede bestaat uit
tenminste één inwonend kind jonger dan 18 jaar;
c.woningzoekenden in het bezit van een urgentieverklaring en wier huishouden
mede bestaat uit drie of meer inwonende kinderen jonger dan 18 jaar;
d.woningzoekenden die in het bezit zijn van een urgentieverklaring en wier
huishouden mede bestaat uit tenminste één inwonend kind jonger dan 18
jaar;
e.woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke bindingscriteria en wier
huishouden mede bestaat uit drie of meer inwonende kinderen jonger dan 18
jaar;
f.woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke bindingscriteria en wier
huishouden mede bestaat uit tenminste één inwonend kind jonger dan 18
jaar;
g.woningzoekenden wier huishouden mede bestaat uit drie of meer inwonende
kinderen jonger dan 18 jaar;
h.woningzoekenden wier huishouden mede bestaat uit tenminste één inwonend
kind jonger dan 18 jaar;
i.overige woningzoekenden.
Artikel 2.4.7 Volgorde van
houders van een urgentieverklaring
1.Van de woningzoekenden die zijn ingedeeld in één van de in artikel 2.4.6,
tweede lid aanhef en onder a tot en met d bedoelde groepen of in één van de
in artikel 2.4.6a, tweede lid aanhef en onder a tot en met i bedoelde
groepen, komen als eerste in aanmerking voor een huisvestingsvergunning de
houders van een urgentieverklaring indien de woonruimte voldoet aan het in
de urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel.
2.Indien op grond van het eerste lid meerdere houders van een
urgentieverklaring als eerste in aanmerking zouden komen voor een
huisvestingsvergunning, komt als eerste in aanmerking het huishouden waarvan
de urgentieverklaring als eerste is verleend of waarvoor voorziening in de
behoefte aan woonruimte naar het oordeel van burgemeester en wethouders het
meest dringend noodzakelijk is.
3.De houders van een urgentieverklaring, verleend ter indeling in één van de
in artikel 2.6.6 genoemde gronden, worden geacht te voldoen aan de
bindingscriteria.
Artikel 2.4.8 Volgorde van de
overige woningzoekenden
1.De volgorde waarin woningzoekenden, niet zijnde houders van een
urgentieverklaring, die behoren tot één van de in artikel 2.4.6, tweede lid,
aanhef en onder a tot en met d, bedoelde groepen of tot één van de in
artikel 2.4.6a, tweede lid aanhef en onder a tot en met i bedoelde groepen,
in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning, wordt bepaald aan de
hand van een in de volgende leden beschreven rangordecriterium.
2.De volgende rangordecriteria kunnen worden toegepast:
a.Inschrijfduur. De woningzoekende met de langste inschrijfduur komt als
eerste in aanmerking voor de huisvestingsvergunning.
b.Loting. Bij loting wordt door de corporatie op elektronische of andere
geschikte wijze bepaald in welke volgorde de aan de loting deelnemende
woningzoekenden voor de huisvestingsvergunning in aanmerking komen. Daarbij
heeft elk deelnemende woningzoekende een gelijke kans op elke plek in de
totale rangorde.
3.Per kalenderjaar wordt in de gehele regio op ten hoogste 15 % en per
gemeente op ten hoogste 20 % van door corporaties te huur aangeboden
woonruimten het rangordecriterium loting toegepast.
Artikel 2.4.9 Directe
bemiddeling
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2.3, eerste lid, kan de
woonruimte via directe bemiddeling worden aangeboden indien het betreft de
huisvesting van woningzoekenden voor wie geldt dat het naar het oordeel van
burgemeester en wethouders niet doelmatig is om hen via een aanbodinstrument
naar woonruimte te laten zoeken. Dit betreft in ieder geval:
a.vergunninghouders;
b.houders van een urgentieverklaring; en,
c.huishoudens bedoeld in artikel 2.4.10.
Artikel 2.4.10 Bijzondere
gevallen
Op verzoek van corporaties kan bij de huisvesting van huishoudens in
bijzondere gevallen die voldoen aan de volgende voorwaarden, direct
bemiddeld worden:
a.het betreft de huisvesting van huishoudens wier specifieke situatie vraagt
om een oplossing op maat, welke niet kan worden geboden met toepassing van
het bepaalde in deze verordening;
b.het aantal huisvestingen op grond van dit artikel bedraagt per
regiogemeente per kalenderjaar ten hoogste vijf procent van de met
toepassing van het bepaalde in deze verordening te verhuren woonruimte;
c.de huisvestingen op grond van dit artikel worden geregistreerd en
jaarlijks gerapporteerd aan de Stuurgroep Wonen. Daarbij wordt de Stuurgroep
Wonen in ieder geval medegedeeld hoeveel gevallen het per regiogemeente
betrof.
Paragraaf 5 Experimenten
woonruimteverdeling
Artikel 2.5.1 Algemeen
1.Bij een experiment worden de effecten onderzocht van een wijze van in
gebruik geven van woonruimte, welke niet in of op grond van deze verordening
is geregeld maar wel in een op grond van de Huisvestingswet 2014 vast te
stellen verordening geregeld zou kunnen worden.
2.De wijze van in gebruik geven van woonruimte als bedoeld in het eerste lid
staat ten dienste van een rechtvaardige, doelmatige, evenwichtige en
transparante verdeling van woonruimte.
Artikel 2.5.2 Experimenten
met woonruimten van corporaties
1.Corporaties en één of meer regiogemeenten kunnen een experiment
organiseren. Zij stellen daartoe de opzet van het experiment vast, welke
tenminste het volgende bevat:
a.een beschrijving van het doel en de inhoud van het experiment; en,
b.het toepassingsbereik van het experiment; en,
c.de tijdsduur van het experiment; en,
d.de wijze van begeleiding van het experiment gedurende de duur van het
experiment; en,
e.de wijze en punten waarop het experiment geëvalueerd wordt.
2.Een experiment heeft een maximale duur van twee jaar en betreft per jaar
maximaal tien procent van de in dat jaar toe te wijzen woonruimten van de
corporaties die bij het experiment betrokken zijn.
3.Een experiment vangt pas aan nadat de Stuurgroep Wonen de
experimentenopzet heeft goedgekeurd. Bij zijn beslissing tot goed- dan wel
afkeuring van de experimentenovereenkomst neemt de Stuurgroep Wonen de
belangen van een evenwichtige, rechtvaardige, doelmatige en transparante
verdeling van woonruimte in acht.
Artikel 2.5.3 Experiment met
overige aangewezen woonruimten
1.Andere verhuurders dan corporaties kunnen in samenwerking met één of meer
regiogemeenten een experiment organiseren. Het bepaalde in artikel 2.5.2,
eerste lid, is hierop van overeenkomstige toepassing.
2.Een experiment heeft een maximale duur van twee jaar en vangt pas aan
nadat het dagelijks bestuur van Stadsregio Amsterdam van de betrokken
regiogemeenten de experimentenopzet hebben goedgekeurd. Bij hun beslissing
omtrent goedkeuring nemen zij de belangen van een evenwichtige,
rechtvaardige, doelmatige en transparante verdeling van woonruimte in
acht.
Paragraaf 6
Urgentie
Artikel 2.6.1 Bevoegdheid tot
beslissen op een aanvraag om een urgentieverklaring
Op een aanvraag om een urgentieverklaring beslissen burgemeester en
wethouders bij wie de aanvraag ingevolge artikel 2.6.2, eerste lid,
aangevraagd moet worden.
Artikel 2.6.2 Aanvraag om een
urgentieverklaring
1.Een urgentieverklaring wordt aangevraagd:
a.bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de aanvrager
blijkens diens inschrijving in de basisregistratie zijn woonadres heeft;
of,
b.bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de aanvrager wil
gaan wonen, als de aanvrager niet in de regio woont.
2.Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na de datum van
ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen deze termijn eenmaal verlengen met ten
hoogste vier weken en maken hun besluit daartoe bekend binnen de in de
vorige zin genoemde termijn.
3.De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van de volgende gegevens en
bescheiden:
a.stukken waaruit blijkt dat de aanvrager als woningzoekende is ingeschreven
in een aanbodinstrument;
b.informatie over de aard en de oorsprong van het huisvestingsprobleem dat
aan de aanvraag ten grondslag ligt; en
c.informatie over het inkomen en het vermogen van het huishouden van
aanvrager.
4.Het bepaalde in het vorige lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing
op een aanvraag die een verzoek om indeling in een urgentiecategorie als
bedoeld in artikel 2.6.6 inhoudt.
Artikel 2.6.3 Inhoud van de
urgentieverklaring
1.De urgentieverklaring bevat een zoekprofiel voor woonruimte.
2.Het zoekprofiel bevat het qua ligging, grootte, en aard meest sobere
woningtype of de meest sobere woningtypen dat naar het oordeel van
burgemeester en wethouders noodzakelijk is voor het oplossen van het
huisvestingsprobleem.
3.Het zoekprofiel bevat voorts het zoekgebied waarvoor de urgentieverklaring
geldig is.
4.De urgentieverklaring bevat verder de volgende informatie:
a.de naam, het adres en de woonplaats van aanvrager;
b.de geboortedatum van aanvrager;
c.het dossiernummer van de aanvraag;
d.de termijn gedurende welke de urgentieverklaring geldig is.
Artikel 2.6.4 Het
zoekgebied
1.Het zoekgebied omvat de gemeente van burgemeester en wethouders die de
urgentieverklaring hebben verleend.
2.Het bepaalde in de volgende leden is uitsluitend van toepassing op een
urgentieverklaring waarmee de woningzoekende is ingedeeld in een in artikel
2.6.8 genoemde urgentiecategorie.
3.Indien de houder van de urgentieverklaring wil verhuizen naar een andere
regiogemeente dan die waar de urgentieverklaring is afgegeven, kunnen
burgemeester en wethouders van de ontvangende regiogemeente:
a.het zoekgebied wijzigen zodat het hun gemeente omvat. Met de wijziging van
het zoekgebied komt een eerder in het zoekprofiel opgenomen zoekgebied te
vervallen; en,
b.de in het zoekprofiel opgenomen woningtypen wijzigen in het voor de
ontvangende gemeente, gelet op de toepasselijke urgentiecategorie, met
inachtneming van het bepaalde in artikel 2.6.3, tweede lid, gangbare
woningtype of woningtypen.
4.Burgemeester en wethouders kunnen de in het tweede lid bedoelde wijziging
van het zoekgebied weigeren indien naar hun oordeel de onevenwichtige en
onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte daartoe
nopen.
5.Burgemeester en wethouders beslissen binnen een termijn van vier weken op
een verzoek om wijziging van het zoekgebied, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 2.6.5 Algemene
weigeringsgronden urgentieverklaring
1.Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun
oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
a.het huishouden van de aanvrager voldoet niet aan de in artikel 2.2.1
genoemde eisen;
b.er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;
c.de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan
het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;
d.het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden opgelost door
gebruik te maken van een voorliggende voorziening;
e.het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is
ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een
lid van zijn huishouden;
f.het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem kan niet
of in onvoldoende mate opgelost worden met verhuizing naar zelfstandige
woonruimte of andere zelfstandige woonruimte;
g.de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan aanvrager
of een lid van zijn huishouden verleende urgentieverklaring is ingetrokken
met toepassing van artikel 2.6.10, tweede lid, aanhef en onder a en d;
h.de aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of in de kosten van
bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien;
i.de aanvrager in de periode direct voorafgaand aan het indienen van de
aanvraag blijkens diens inschrijving in de basisadministratie niet tenminste
twee jaar onafgebroken in de gemeente waar de urgentieverklaring wordt
aangevraagd woonachtig was;
j.het huishoudinkomen de DAEB-norm overschrijdt.
2.Indien de aanvraag betrekking heeft op indeling in een urgentiecategorie
bedoeld in artikel 2.6.8, eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders
vervolgens het aangevraagde weigeren indien de aanvrager gedurende de in het
vorige lid, onder i, bedoelde termijn niet heeft gewoond in een zelfstandige
en krachtens een besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening voor
permanente bewoning bestemde woonruimte.
3.Burgemeester en wethouders weigeren vervolgens het aangevraagde indien de
aanvrager niet valt onder één van de in artikel 2.6.6 tot en met 2.6.8
opgenomen urgentiecategorieën.
Artikel 2.6.6 Wettelijke
urgentiecategorieën
1.Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de in
artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder a tot en met h en j genoemde
omstandigheden voordoet en de aanvrager tot tenminste één van de volgende
urgentiecategorieën behoort:
a.woningzoekenden die verblijven in een voorziening voor tijdelijke opvang
van personen, die in verband met problemen van relationele aard of geweld
hun woonruimte hebben verlaten en waarvan de uitstroom uit die voorziening
aanstaande is, indien de behoefte aan in de desbetreffende regiogemeente
gelegen woonruimte als gevolg van die uitstroom naar het oordeel van
burgemeester en wethouders dringend noodzakelijk is;
b.woningzoekenden waarvan de voorziening in de behoefte aan woonruimte als
gevolg van het verlenen of ontvangen van mantelzorg naar het oordeel van
burgemeester en wethouders voor aanvrager dringend noodzakelijk is.
2.Een urgentieverklaring kan worden verleend aan een vergunninghouder die,
gelet op de in artikel 28 van de wet genoemde taakstelling, gehuisvest moet
worden door het college van burgemeester en wethouders waar de
urgentieverklaring wordt aangevraagd indien wordt voldaan aan de volgende
voorwaarden:
a.de woningzoekende is niet door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers als
bedoeld in artikel 2 van de Wet Centraal orgaan opvang asielzoekers bij een
andere gemeente voorgedragen voor huisvesting; en,
b.de woningzoekende heeft niet eerder aangeboden woonruimte geweigerd.
Artikel 2.6.7 Regionale
urgentiecategorie: uitstroom
1.Een urgentieverklaring kan worden verleend aan een woningzoekende die moet
omzien naar woonruimte aansluitend op verblijf in een instelling voor
maatschappelijke opvang, een psychiatrische instelling of een erkende hulp-
of dienstverleningsinstelling, indien:
a.de aanvrager tenminste twee van de drie jaren direct voorafgaand aan het
verblijf in de instelling blijkens de inschrijving in de basisadministratie
woonachtig was in de regio;
b.geen van de in artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder a, c, d, f, h of
j genoemde omstandigheden zich voordoet; en,
c.de aanvrager, naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende
zelfredzaam is.
2.Indien een urgentieverklaring als bedoeld in het eerste lid wordt
aangevraagd door een woningzoekende die verblijft in een in de regio gelegen
instelling als bedoeld in het eerste lid, zijn de volgende leden van
toepassing.
3.In afwijking van het bepaalde in artikel 2.6.1. en artikel 2.6.2, eerste
lid, wordt op een aanvraag om een urgentieverklaring waarmee een
woningzoekende wordt ingedeeld in een urgentiecategorie als bedoeld in het
vorige lid, besloten door burgemeester en wethouders van de regiogemeente
waar de locatie van de opvanginstelling waar de woningzoekende verblijft
resideert.
4.In afwijking van het bepaalde in artikel 2.6.4, eerste lid, omvat het in
de urgentieverklaring op te nemen zoekgebied de regiogemeente waarin
aanvrager tenminste twee van de drie jaren direct voorafgaand aan het
verblijf in de instelling blijkens de inschrijving in de basisadministratie
woonachtig was, tenzij burgemeester en wethouders gelet op de problematiek
van aanvrager een andere regiogemeente in het zoekgebied opnemen.
5.Het college van burgemeester en wethouders van de regiogemeente die tot
het in de urgentieverklaring opgenomen zoekgebied behoort, stelt het in de
urgentieverklaring op te nemen woningtype vast, overeenkomstig het bepaalde
in artikel 2.6.3, tweede lid.
Artikel 2.6.8 Overige
regionale urgentiecategorieën
1.Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de in
artikel 2.6.5, eerste en tweede lid, genoemde omstandigheden voordoet en de
aanvrager tot tenminste één van de volgende urgentiecategorieën
behoort:
a.woningzoekenden die in een acute noodsituatie verkeren;
b.woningzoekenden die op grond van medische of sociale redenen dringend
woonruimte nodig hebben en niet behoren tot de in artikel 2.6.7 bedoelde
urgentiecategorie;
c.woningzoekenden waarvan de huidige woonruimte behoort tot een door
burgemeester en wethouders op grond van het tweede lid aangewezen
complex.
2.Burgemeester en wethouders kunnen complexen aanwijzen waarvan de bewoners
in verband met sloop of ingrijpende renovatie of herstructurering van het
gebied waarin de complexen zijn gelegen, redelijkerwijs binnen twee jaar
niet meer in hun huidige woonruimte kunnen blijven wonen. Burgemeester en
wethouders stellen daarbij een datum vast met ingang waarvan de bewoners van
de aangewezen complexen een SV-urgentieverklaring kunnen aanvragen.
3.Op de urgentiecategorieën bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a en
c, is het bepaalde in artikel 2.6.5, eerste lid aanhef en onder j en het
bepaalde in artikel 2.6.3, tweede lid, niet van toepassing.
Artikel 2.6.9 Geldigheid van
de urgentieverklaring
1.Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op de
SV-urgentieverklaring en de urgentieverklaringen waarmee een woningzoekende
is ingedeeld in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 2.6.6, tweede
lid, of artikel 2.6.7, eerste lid.
2.De urgentieverklaring vervalt:
a.nadat de houder ervan niet meer behoort tot de urgentiecategorie welke
aanleiding was voor verlening van de urgentieverklaring; of,
b.na verloop van een termijn van 26 weken na verlening van de
urgentieverklaring.
3.Burgemeester en wethouders van de gemeente die tot het in de
urgentieverklaring vermelde zoekgebied behoort kunnen besluiten dat de
urgentieverklaring een langere termijn dan die bedoeld in het tweede lid
geldig blijft indien:
a.de omstandigheden bedoeld in artikel 2.6.5, eerste lid, zich niet
voordoen;
b.de houder van de urgentieverklaring nog steeds valt in de
urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de
urgentieverklaring.
4.Met inbegrip van de in het vorige lid bedoelde verlenging vervalt een
urgentieverklaring na het verstrijken van een periode van 52 weken na het
moment waarop zij verleend is.
Artikel 2.6.10 Wijzigen en
intrekken van de urgentieverklaring
1.Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op de
SV-urgentieverklaring.
2.Burgemeester en wethouders trekken de urgentieverklaring in indien:
a.bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en er,
indien juiste of volledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de
urgentieverklaring zou zijn geweigerd;
b.de houder van de urgentieverklaring niet meer behoort tot de
urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de
urgentieverklaring of zich één of meer toepasselijke, in artikel 2.6.5,
eerste lid, opgenomen en op de desbetreffende urgentiecategorie
toepasselijke weigeringsgronden voordoen;
c.de houder van de urgentieverklaring daartoe verzoekt; of,
d.de houder van de urgentieverklaring passende woonruimte heeft geweigerd of
zich anderszins onvoldoende heeft ingespannen om zijn huisvestingsprobleem
op te lossen.
3.Burgemeester en wethouders kunnen de urgentieverklaring wijzigen
indien:
a.bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en er,
indien juiste of volledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de
urgentieverklaring niet zou zijn geweigerd maar anders op de aanvraag zou
zijn besloten; of
b.de houder van de urgentieverklaring behoort tot een andere
urgentiecategorie dan die welke aanleiding was voor verlening van de
urgentieverklaring.
4.Ter voorbereiding van een besluit tot intrekking of wijziging van de
urgentieverklaring kunnen burgemeester en wethouders zich laten adviseren
door een ter zake deskundig persoon.
5.Indien burgemeester en wethouders een voorwaarde aan de urgentieverklaring
hebben verbonden, treedt de urgentieverklaring pas in werking als aan de
voorwaarde is voldaan.
Artikel 2.6.11
Hardheidsclausule
1.Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening
zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een
urgentieverklaring toe te kennen indien:
a.weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie;
en,
b.sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening
onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening
redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring
zouden kunnen zijn.
2.Burgemeester en wethouders registreren de gevallen waarin met toepassing
van het in het eerste lid bepaalde een urgentieverklaring wordt verleend. De
registratie bevat tenminste de datum waarop de urgentieverklaring wordt
verleend en de specifieke omstandigheden van het geval die leiden tot de
verlening van de urgentieverklaring. De registraties worden tenminste
eenmaal per jaar besproken in de Stuurgroep Wonen.
Artikel 2.6.12 Overgangsrecht
urgentieverklaringen
1.Urgentieverklaringen die vóór 1 januari 2015 zijn verleend op grond van
artikel 14 van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam
2013 of artikel 6 van het Convenant woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam
en Platform Woningcorporaties Noordvleugel Randstad d.d. 1 januari 2013
zoals deze luidden onmiddellijk vóór 1 juli 2015, worden gelijkgesteld met
de op grond van artikel 2.6.1 van deze verordening te verlenen
urgentieverklaringen.
2.Beslissingen op een aanvraag om een urgentieverklaring als bedoeld in
artikel 14 van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam
2013 en op verzoeken om een urgentieverklaring als bedoeld in artikel 6 van
het Convenant woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam en Platform
Woningcorporaties Noordvleugel Randstad d.d. 1 januari 2013 zoals deze
luidden onmiddellijk vóór 1 juli 2015, genomen in de periode van 1 januari
2015 tot 1 juli 2015 worden gelijkgesteld met de op grond van artikel 2.6.1
van deze verordening te nemen besluiten om een urgentieverklaringen.
3.In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid is het bepaalde
in 2.6.4, derde tot en met vijfde lid, van deze verordening niet van
toepassing op urgentieverklaringen die zijn afgegeven op grond van artikel
14 van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 of
artikel 6 van het Convenant woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam en
Platform Woningcorporaties Noordvleugel Randstad d.d. 1 januari 2013 zoals
deze luidden vóór 1 juli 2015.
4.Op aanvragen om een urgentieverklaring als bedoeld in artikel 14 van de
Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 en op verzoeken
om een urgentieverklaring als bedoeld in artikel 6 van het Convenant
woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam en Platform Woningcorporaties
Noordvleugel Randstad d.d. 1 januari 2013 zoals deze luidden onmiddellijk
vóór 1 juli 2015 waarop op 1 juli 2015 nog niet is besloten, wordt besloten
overeenkomstig het bepaalde in deze verordening.
Verwijzingen
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 1
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 14
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 8
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 14
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2