Deze verordening verstaat onder een onroerende zaak, dan wel ontroerende zaak:
Een gebouwd eigendom met zijn gebouwde aanhorigheden – daaronder begrepen de ondergrond van die eigendom en die aanhorigheden – en met zijn opgebouwde aanhorigheden;
Een ongebouwd eigendom, niet zijnde de ondergrond of een aanhorigheid van een gebouw eigendom;
Indien gedeelten van in de letter a. of b. bedoelde eigendommen blijkens hun indeling zijn bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt: elk als zodanig bestemd gedeelte.