Grondslag voor de berekening van het straatgeld is het aantal
m2 ingenomen grondoppervlakte.
De opmeting der ingenomen oppervlakte geschiedt door
burgemeester en wethouders die van de ingenomen oppervlakte
terstond kennis geven aan belanghebbenden.
Bij steigers of schoren zonder omtimmering wordt de door de
palen ingenomen oppervlakte berekend, alsof zij van omtimmering
waren voorzien. Is slechts een enkele paal geplaatst, dan wordt
als oppervlakte aangenomen het vierkant van de afstand tussen
die paal en het particulier eigendom. Indien planken uitsteken
buiten de door de steigerpalen ingenomen oppervlakte, wordt dit
meerdere bij de bepaling daarvan in rekening gebracht.
Het straatgeld wordt geheven, van de dag af, waarop met het in
gebruik nemen van de openbare straat een aanvang is gemaakt, tot
en met die, waarop de ingebruikneming is beëindigd.
Hoofdstuk I
Artikel 4
Maatstaf van de heffing
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van straat-, kade- en havengeld 2016