Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4. › AFDELING 3.

Artikel 4:10

Begripsomschrijvingen

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening

1.. In deze afdeling wordt verstaan onder: boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. Ingeval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam; houtopstand: een of meer bomen, hakhout, een houtwal , een grotere lintbegroeiing van heesters en struiken of bosplantsoen. dunning: het selectief vellen van een houtopstand ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand; afzetten: het afzagen van een stam op een hoogte van 10-30 centimeter boven het maaiveld zodat de houtopstand  opnieuw uitloopt; bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet; bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 2.. vellen: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel