Naar hoofdinhoud

Artikel 8

- Heffing als jaarlijkse belasting.

Onderdeel van nr 04.20 Verordening bouwgrondbelasting bestemmingsplan Tatelaar 1975

1.. Op aanvraag van de belastingplichtige wordt de belasting geheven in de vorm van een jaarlijkse belasting gedurende dertig achtereenvolgende jaren, waarbij de eerste termijn vervalt in het jaar, waarin deze aanvraag wordt gedaan. Bedoelde aanvraag wordt gedaan bij de aangifte. 2.. De jaarlijkse belasting is gelijk aan de annuïteit van de belasting ineens, als bedoeld in artikel 6 en nader omschreven in de bijlagen I en II, berekend op basis van het aantal belastingjaren, vanaf het jaar van aanvang van de heffing tot en met het dertigste belastingjaar en tegen een rentepercentage, zoals dat door de N.V. Bank voor Nederlandse Gemeenten voor annuïteitenleningen met een gelijke looptijd wordt gehanteerd per 1 januari van het jaar waarin een in lid 1 bedoelde aanvraag wordt gedaan. 3.. De belasting over de nog niet verstreken belastingjaren kan telkenjare worden afgekocht. De afkoopsom wordt bepaald op de contante waarde van de op 1 januari van het jaar, waarin de afkoop plaats vindt, nog te verschijnen belastingbedragen, berekend naar een rentevoet, als vermeld in het tweede lid van dit artikel. Daarbij wordt er van uitgegaan, dat de jaarlijkse belastingbedragen gemiddeld per 31 december van elk belastingjaar verschuldigd geweest zouden zijn. 4.. In het geval bedoeld in het eerste lid, wordt, indien ten behoeve van een belastingobject het genot, als bedoeld in artikel 2 op een andere persoon overgaat, na het lopende belastingjaar de nieuwe genothebbende een aanslag ineens voor de resterende belastingjaren opgelegd, berekend overeenkomstig het derde lid van dit artikel, met dien verstande, dat de belastingplichtige een aanvraag als bedoeld in het eerste lid kan indienen voor de resterende looptijd van de met gebruikmaking van het gestelde in het tweede lid berekende annuïteit.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel