1. De leden van het Dagelijks Bestuur zijn, tezamen en ieder
afzonderlijk, aan het Algemeen Bestuur verantwoording verschuldigd voor
het door het Dagelijks Bestuur gevoerde bestuur.
2. Zij geven het Algemeen Bestuur mondeling of schriftelijk de door een
of meer leden gevraagde inlichtingen, op de wijze zoals die is geregeld
in het Reglement van Orde van het Algemeen Bestuur.
3. Het Algemeen Bestuur is bevoegd aan een lid van het Dagelijks Bestuur
ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen van het Algemeen
Bestuur niet meer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
4. Het bepaalde in de voorgaande leden is van overeenkomstige toepassing
op de Voorzitter voor het door hem/haar gevoerde bestuur.